Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.4.2
3.4.2 'Redelijk belang'
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434198:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 38 (MvT).
Zie ook Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 93; Th.M. de Boer, /V/PR-Speciale aflevering 1996, p. 77. Volgens De Boer nodigt het voorbehoud partijen uit om de procedure te teisteren door het voeren van een onbevoegdheidsverweer (p. 78) en kan daarom naar zijn mening maar beter geschrapt worden (p. 84).
Rb. Rotterdam 18 december 1981, S&S 1982, 70.
Hof 's-Gravenhage 23 maart 1984, S&S 1984, 100.
Voor het 'oud' procesrecht: L. Strikwerda, 'Internationale forumkeuze en het formele toepassingsgebied van het EEX', in: D.H. Beukenhorst e.a., Feestbundel ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van de Studiekring Prof. Mr. J. Offerhaus, Kluwer: Deventer 1987, p. 200. Anders M. Freudenthal & F.J.A. van der Velden, 'The Netherlands', in: Fawcett (ed.) (1995), p. 331-333. Anders ook D. Kokkini-Iatridou & K. Boele-Woelki, IVIPR 1994, p. 332, die het criterium van redelijk belang kwalificeren als een speciale forum non conveniens-regel.
Convention on choice of courts agreements, 's-Gravenhage, 30 juni 2005. Voor de tekst van dit verdrag, dat overigens nog niet in werking is getreden, raadplege men
Art. 5 lid 2 Convention on choice of courts agreements (2005): 'A court that has jurisdiction under paragraph 1 shall not decline to exercise jurisdiction on the ground that the dispute should be decided in a court of another State.' Zie echter de mogelijkheid tot het maken van een voorbehoud in art. 19: 'A State may deciare that its courts may refuse to determine disputes to which an exclusive choice of court agreement applies if, except for the location of the chosen court, there is no connection between that State and the parties or the dispute.' Voor de EEX-Verordening, zie par. 7.2.5.
Vgl. art. 6 §2 Belgische IPR-Wet, dat bepaalt dat indien de rechtsmacht van de Belgische rechter is gebaseerd op een forumkeuze, hij zijn bevoegdheid kan weigeren 'wanneer uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat het geschil geen enkele betekenisvolle band met België heeft.' Volgens de Toelichting zou een betekenisvolle band al bestaan wanneer de verblijfplaats van één der partijen zich in België bevindt of wanneer de Belgische rechtbank Belgisch recht zou moeten toepassen op het geschil.
Bij prorogatie van rechtsmacht maakt de laatste zinsnede van art. 8 lid 1 Rv duidelijk dat de Nederlandse rechter moet nagaan of met de uitdrukkelijke aanvaarding van bevoegdheid een redelijk belang is gemoeid, bij gebreke waarvan hij de forumkeuze ongeldig verklaart. Het criterium van 'redelijk belang' — dat ontbreekt in art. 8 lid 2 Rv alsmede art. 23 EEX-Vo — is ontleend aan HR 1 februari 1985, NJ 1985, 698 (JCS), Piscator. Volgens de conclusie van A-G Franx kan dit redelijk belang zijn gelegen 'in de behoeften van het internationale commerciële verkeer' en met name in (a) de neutraliteit van de Nederlandse rechter, (b) de deskundigheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot het toe te passen Nederlandse recht of zijn deskundigheid ten aanzien van het onderwerp van het geschil, (c) de mogelijkheid van verhaal in Nederland, (d) de executeerbaarheid van een Nederlands vonnis in het buitenland of (e) het scheppen van rechtszekerheid ter voorkoming van forumshopping. De Memorie van Toelichting bij art. 8 lid 1 Rv geeft als voorbeeld voor een 'redelijk belang' de onder (a), (b) en (e) genoemde gronden.1 Zodra partijen op een van deze gronden hebben gekozen voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is er 'redelijk belang' in de zin van art. 8 lid 1 Rv. Vermoedelijk zal het voorbehoud van 'redelijk belang' in de praktijk niet vaak tot problemen aanleiding geven, omdat iedere forumkeuze in ieder geval tot stand komt met het oog op het redelijke belang van de rechtszekerheid.2
Het criterium van redelijk belang vereist niet dat de partijen of het geschil op enigerlei wijze verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer. In het Piscator-arrest dachten rechtbank en hof hier anders over. Volgens de rechtbank kon, zo al sprake was van een door partijen gedane forumkeuze, deze keuze in het onderhavige geval geen rechtsmacht scheppen wegens gebrek aan voldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer: 'als zodanig doet zich slechts de omstreden toepasselijkverklaring van Nederlands recht op de sleepovereenkomst (in de conditiën 1951) voor.'3 Het hof:
`Deze opvatting van Transocean komt erop neer, dat de Nederlandse rechter steeds verplicht zou zijn om de geschillen, waar ook ter wereld ontstaan, te berechten, die willekeurige pp., waar ter wereld ook gevestigd, en (in beginsel) ongeacht de aard van die geschillen en ongeacht welk nationaal recht daarop moet worden toegepast, aan hem ter berechting wensen voor te leggen. Dit gaat te ver, althans bij de huidige stand van de ontwikkeling in de wereld. Het Hof onderschrijft dan ook het oordeel van de Rb. dat een vordering voldoende aanknopingspunten moet hebben met de Nederlandse rechtssfeer, wil de Nederlandse rechter de macht hebben die te berechten. Ook is juist de overweging van de Rb., dat de vraag of er voldoende aanknopingspunten zijn, van openbare orde is en ambtshalve moet worden onderzocht.' 4
De Hoge Raad sluit een forum non conveniens-restrictie in de vorm van een verbondenheidstoets echter uit:
`3.2 Met de onder 3.1 aangestipte argumentatie voor het prijsgeven van de leer dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet enkel door de wil van pp. kan worden gevestigd, valt niet wel te verenigen dat een keuze van pp. van de Nederlandse rechter als forum ter berechting van geschillen die tussen hen mochten rijzen of zijn gerezen, slechts dan effectief is — dat wil zeggen: door die rechter slechts dan als basis voor zijn rechtsmacht mag worden aanvaard — indien de voor die rechter ingestelde vordering voldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer (aldus het kennelijk aan art. 429c tweede lid Rv ontleende standpunt van het Hof). De eis dat de ingestelde vordering voldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer, sluit uit dat pp. de Nederlandse rechter kunnen kiezen enkel omdat zij hem beschouwen als neutrale, dat wil zeggen als in generlei opzicht bij hun (mogelijke) geschillen betrokken rechter.
( • • •)•'
Dit oordeel behoudt zijn waarde onder de nieuwe regeling van commune rechtsmacht, zodat de Nederlandse rechter die op voet van art. 8 lid 1 Rv bevoegd is verklaard de uitoefening van zijn bevoegdheid niet mag weigeren omdat de zaak geen of onvoldoende binding met Nederland heeft. In het vereiste van redelijk belang kan dus geen forum non conveniens-correctie worden gelezen.5 De toepassing van forum non conveniens laat zich niet goed denken op een terrein van het jurisdictierecht dat is opengesteld voor partijautonomie. De wil van partijen om rechtsmacht op te dragen aan de Nederlandse rechter mag niet ter zijde worden gesteld op de grond dat de zaak onvoldoende binding met Nederland heeft; door het toestaan van forum non conveniens zou de partij autonomie worden aangetast, alsmede de rechtszekerheid die van een forumkeuze uitgaat. De EEX-Verordening en het Haagse Forumkeuzeverdrag 20056 staan het gebruik van enige vorm van forum non conveniens-restrictie ten aanzien van een geldige forumkeuze evenmin toe.7 Ook hier lijken overwegingen van partijautonomie en rechtszekerheid een doorslaggevende rol te hebben gespeeld.8