Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.3
9.3 Het voorkomen van besluitvorming
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303766:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover: hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.1. e.v. en 7.4.6.: zie voor de voor- en nadelen van de enquêteprocedure en het kort geding ten opzichte van elkaar hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.7.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.5.
Zie in dit verband: Rb. Middelburg 14 april 1998, JOR 2000, 25; Rb. Amsterdam 11 oktober 2006, JOR 2007, 32; Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008, 125 m.nt. Bartman.
Rb. ’s-Gravenhage 7 augustus 2002, JOR 2002, 173 m.nt. Van den Ingh.
Zie in dit verband hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.6.
Zie in dit verband bijvoorbeeld: Hof Amsterdam (OK) 14 december 2005, JOR 2005, 7 m.nt. Van den Ingh; Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 m.nt. Blanco Fernández; Hof Amsterdam (OK) 20 mei 2008, JOR 2008, 158; Hof Amsterdam (OK) 10 december 2008, JOR 2009, 38; Hof Amsterdam (OK) 14 oktober 2011, ARO 2011, 158.
Dit was bijvoorbeeld het geval in: Hof Amsterdam (OK) 14 december 2005, JOR 2005, 7 m.nt. Van den Ingh; Hof Amsterdam (OK) 10 december 2008, JOR 2009, 38; Hof Amsterdam (OK) 14 oktober 2011, ARO 2011, 158.
Zie in dit verband bijvoorbeeld: Hof Amsterdam (OK) 22 februari 2002, JOR 2002, 63; Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007, 42 m.nt. Blanco Fernández; Hof Amsterdam (OK) 20 mei 2008, JOR 2008, 158.
Hof Amsterdam (OK) 14 oktober 2011, ARO 2011/158 (‘verbiedt bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding de algemene vergadering van aandeelhouders van Body Control Concepts Holding B.V. om besluiten te nemen die wijziging brengen in de samenstelling van het bestuur van de vennootschap, behoudens met unanieme stemmen.’).
Hof Amsterdam (OK) 22 februari 2002, JOR 2002, 63. Deze beschikking is ook reeds in hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.6., aan de orde gekomen, omdat de Ondernemingskamer hier ook het stemrecht van de aandelen van één van de aandeelhouders schorst.
R.o. 3.11.
Hof Amsterdam 13 december 2007, ARO 2008, 1.
R.o. 3.1.
Zie hierover hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.3. e.v.
Zie over deze functie van de algemene vergadering van aandeelhouders hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.3.1. e.v.
Vaak is het doel van de belanghebbende niet om een besluit aan te tasten, maar om een besluit te voorkomen. In een dergelijke situatie staan voor de belanghebbende een beroep op nietigheid en vernietigbaarheid niet open; er is immers nog geen (verondersteld(genomen)) besluit. De vraag is wat een belanghebbende dan voor mogelijkheden heeft om de totstandkoming van een besluit te voorkomen.
Hierbij kan gewezen worden op het kort geding en – wanneer men daartoe bevoegd is – de enquêteprocedure.1
In kort geding is het mogelijk om een voorlopige voorziening te vorderen. Gevorderd kan bijvoorbeeld worden dat de algemene vergadering van aandeelhouders bepaalde besluiten niet mag nemen. Wil de belanghebbende een vordering instellen, dan moet de vennootschap wel partij zijn bij de procedure, omdat besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders aan de vennootschap worden toegerekend.2
In hoofdstuk 7, paragraaf 7.4.8., is al opgemerkt dat voorzieningenrechters het lastig lijken te vinden om het onderscheid te maken tussen de individuele aandeelhouder en de algemene vergadering van aandeelhouders. Zo wordt in menig dictum bepaald dat een specifieke (meerderheids)aandeelhouder geen besluiten mag nemen, hetgeen niet heel zuiver geformuleerd is.3 Hieruit zou desalniettemin kunnen worden opgemaakt dat de rechter heeft bedoeld de besluitvorming van de algemene vergadering van aandeelhouders binnen de rechtspersoon middels een voorlopige voorziening te beperken.
Een uitzondering hierop is de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage.4 Hier ging het om een Nederlandse dochtervennootschap, NEM B.V., van een Duitse subholding, welke 98% van de aandelen hield. NEM B.V. weigerde mee te werken aan het afromen van liquiditeiten van de Nederlandse dochtervennootschap ten gunste van een Amerikaanse zustervennootschap. De subholding trachtte vervolgens tezamenmet de raad van commissarissen van NEM B.V. één van de twee bestuurders te ontslaan, hetgeen in eerste instantie mislukte. Om een nieuwe poging te verijdelen, spanden de twee bestuurders een kort geding aan, waarbij zij onder meer vorderden dat het NEM B.V. werd verboden besluiten tot schorsing of ontslag van de bestuurder te nemen en dat het de grootaandeelhouder werd verboden een stem uit te brengen ten gunste van een voorstel tot schorsing of ontslag van de bestuurder. De voorzieningenrechter wees deze voorzieningen toe en trof onder meer de navolgende voorziening:
‘Verbiedt NEM om gedurende een periode die loopt tot 1 november 2002 een besluit te nemen tot schorsing dan wel ontslag van Wittke als directeur van NEM of tot benoeming van Horvay als zijn opvolger, ongeacht of NEM daarbij handelt door middel van haar algemene vergadering van aandeelhouders of haar raad van commissarissen.’
In tegenstelling tot de bovengenoemde uitspraken besliste de voorzieningenrechter hier dat het de vennootschap, en daarmee de facto de algemene vergadering van aandeelhouders, werd verboden een bepaald besluit te nemen. Dit komt mij zuiverder voor, al zou een instructie dat de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap het besluit niet mag nemen mijns inziens wellicht scherper zijn geweest.
Reeds meermaals is aan de orde gekomen dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen kan treffen.5 Daarbij zijn ook de omstandigheden waaronder en beperkingen ten aanzien van het treffen van onmiddellijke voorzieningen aan de orde gekomen.
De totstandkoming van een besluit kan niet alleen worden voorkomen in een enquêteprocedure door een onmiddellijke voorziening te treffen die een individuele aandeelhouder raakt. Het is eveneens mogelijk een onmiddellijke voorziening te treffen die de algemene vergadering van aandeelhouders belet een besluit te nemen. Dan richt de onmiddellijke voorziening zich niet op het individu, maar op het orgaan. Deze voorziening is door de Ondernemingskamer ook veelvuldig getroffen. De Ondernemingskamer verbiedt de algemene vergadering van aandeelhouders dan om een besluit te nemen, waarbij het in de regel gaat om besluiten ten aanzien van een bepaald onderwerp.6 Daarnaast kan een onderscheid worden gemaakt tussen de onmiddellijke voorzieningen waarin het verbod op het nemen van een besluit voor de duur van het geding worden getroffen7 en waar het verbod geldt ten aanzien van een specifieke algemene vergadering van aandeelhouders.8 Ook kan worden bepaald dat het de algemene vergadering van aandeelhouders wordt verboden besluiten te nemen, tenzij dit met unanimiteit van stemmen gebeurt.9 Een ingrijpendere onmiddellijke voorziening is een algeheel verbod tot het nemen van besluiten door een algemene vergadering van aandeelhouders. Deze voorziening is getroffen in de enquêteprocedure betreffende RNA.10 Hier bepaalde de Ondernemingskamer:
‘Verbiedt de algemene vergadering van aandeelhouders van RNA van 26 februari 2002 tot besluitvorming over te gaan, meer in het bijzonder met betrekking tot de in 2.3 vermelde overeenkomst ingevolge welke Westfield America Limited Partnership, Simon Property Group L.P en The Rouse Company gezamenlijk RNA verwerven door middel van een aankoop van de activa van RNA tegen betaling in contanten, gevolgd door een uitkering van de opbrengst aan de aandeelhouders van RNA en liquidatie van RNA.’
Uit de overwegingen van de Ondernemingskamer die hieraan ten grondslag liggen blijkt – voor zover dit uit de bovenstaande tekst niet direct kan worden opgemaakt – dat het gaat om een algeheel verbod om op de algemene vergadering van aandeelhouders van 26 februari 2002 te stemmen:
‘In aanmerking nemende dat deze aandeelhouders gezien de – aanvankelijke – opstelling van Stichting RNA geredelijk tot die veronderstelling kunnen zijn gekomen en dat deze aandeelhouders, vanwege de voorshands aan te nemen ongeldigheid van de rechtsgrond krachtens welke Stichting RNA stemrecht zou toekomen, in de gelegenheid dienen te zijn hun beslissing om al of niet in de algemene vergadering van aandeelhouders te participeren te nemen met inachtneming van het geschorst zijn van het stemrecht van Stichting RNA, zal de Ondernemingskamer bij wege van onmiddellijke voorziening bepalen dat de algemene vergadering van aandeelhouders van 26 februari 2002 niet tot besluitvorming mag overgaan. Haar zal zulks dan ook worden verboden.’11
Aan de beslissing van de Ondernemingskamer om die specifieke onmiddellijke voorziening op te leggen, ligt derhalve vooral ten grondslag dat het stemrecht op de aandelen die worden gehouden door de Stichting RNA is geschorst (een andere door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorziening) en dat de aandeelhouders daarmee rekening moeten kunnen houden wanneer zij besluiten of zij zich aanmelden voor de algemene vergadering van aandeelhouders. De onmiddellijke voorziening heeft dan ook alleen betrekking op de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 26 februari 2002.
Een vergelijkbare variant van de hierboven beschreven onmiddellijke voorziening die de bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders beperkt, werd door de Ondernemingskamer getroffen in de enquêteprocedure betreffende E-Traction.12 Hier trof de Ondernemingskamer de navolgende onmiddellijke voorziening:
‘verbiedt bij wijze van onmiddellijke voorziening de algemene vergadering van aandeelhouders van e-Traction Europe B.V. in de voor 13 december 2007 bepaalde of enige andere te houden algemene vergadering van aandeelhouders enig besluit te nemen totdat de Ondernemingskamer op de hiervoor in 1.11 aangeduide verzoeken heeft beslist;’
Daaraan lag de navolgende overweging ten grondslag:
‘De Ondernemingskamer acht het, in afwachting van de – nadere – beslissing inzake de onderscheiden verzoeken betreffende – de voorziening in – het bestuur van Europe, bij wijze van onmiddellijke voorziening noodzakelijk, te verhinderen dat in de voor vandaag voorziene algemene vergadering van aandeelhouders van Europe of in enige andere vóór die beslissing te houden algemene vergadering van aandeelhouders van Europe, enig besluit wordt genomen, zulks teneinde te voorkomen dat zich een situatie kan voordoen die zich niet verdraagt met hetgeen de Ondernemingskamer eerder met betrekking tot onmiddellijke voorzieningen heeft beslist of dienaangaande zal beslissen.’13
Als gevolg van deze onmiddellijke voorziening is het voor de algemene vergadering van aandeelhouders niet mogelijk een besluit te nemen, totdat de Ondernemingskamer heeft beslist ten aanzien van een aantal andere verzoeken. Het wordt dus niet verboden om een algemene vergadering van aandeelhouders te houden, maar wel om besluiten te nemen op deze algemene vergadering van aandeelhouders. Dit zou kunnen worden toegeschreven aan de eerder aangehaalde twee functies die de algemene vergadering van aandeelhouders vervult.14 De functie van orgaan binnen de vennootschap, aan welk orgaan een bepaalde mate van zeggenschap toekomt, wordt tijdelijk een halt toegeroepen, terwijl er nog wel de mogelijkheid bestaat om de algemene vergadering van aandeelhouders als forum voor de aandeelhouders15 te blijven hanteren.