Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.2:7.2.4.2 Algemeen, oriënterend en inventariserend onderzoek
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.2
7.2.4.2 Algemeen, oriënterend en inventariserend onderzoek
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946221:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het oog op de vraag of en in hoeverre mag worden opgespoord voorafgaand aan een klacht, verdient een aantal kwesties nog afzonderlijke bespreking. Dit betreft ten eerste het zogenoemd oriënterend onderzoek. In hoofdstuk 3 kwam reeds aan bod dat advocaat-generaal Fokkens in 1997 in een conclusie de mogelijkheid van dergelijk algemeen onderzoek introduceert.1 Fokkens leidt uit de wetsgeschiedenis van art. 247 Sr af dat algemeen, oriënterend en inventariserend onderzoek wel zou zijn toegestaan, maar dat gericht onderzoek ontoelaatbaar is zonder klacht. Met gericht onderzoek doelt Fokkens onder meer op het horen van verdachten, getuigen en slachtoffers en het gebruik van dwangmiddelen. Uitsluitend onder verwijzing naar dit standpunt van Fokkens wordt in de literatuur incidenteel vermeld dat bij het uitblijven van een klacht enig algemeen, oriënterend onderzoek naar klachtdelicten wel degelijk acceptabel zou zijn.2 Die stellingname is mijns inziens onjuist.
In dit verband wijs ik er ten eerste op dat de Hoge Raad zich niet heeft uitgesproken in de zaak waarin Fokkens concludeerde, omdat de cassatieschriftuur te laat is ingediend. Het uitblijven van ambtshalve overwegingen van de Hoge Raad kan niet als stilzwijgende instemming met het standpunt van Fokkens worden beschouwd. Fokkens concludeerde immers tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad bevestigde dus geenszins de zienswijze van Fokkens. Dat doet de Hoge Raad in latere rechtspraak evenmin.
Belangrijk is bovendien dat Fokkens zich in de betreffende conclusie specifiek uitlaat over oriënterend onderzoek ten aanzien van het zedendelict in art. 247 Sr. Daarbij baseert de advocaat-generaal zich op de wetsgeschiedenis die maakte dat dit zedenfeit in 1991 als klachtdelict werd aangemerkt. Eerder in deze dissertatie is echter al uitgebreid beschreven dat het klachtvereiste in de zedenwetgeving een afwijkende achtergrond had. 3Dit maakt dat de zienswijze van de regering ten aanzien van (de opsporing van) dat soort feiten niet zonder meer richtinggevend is voor alle klachtdelicten. Zeker niet nu de door Fokkens aangehaalde wetsgeschiedenis aanknopingspunten bevat voor het tegendeel. Daarin is immers vermeld dat de politie bij een vermoeden van kindermisbruik de Raad voor de Kinderbescherming zou kunnen informeren over dat mogelijke misbruik, waarna de Raad voor de Kinderbescherming een klacht zou kunnen indienen. De Raad voor de Kinderbescherming was bij dit delict immers – naast het slachtoffer – ook klachtgerechtigd. Fokkens leidt hieruit af dat enig orienterend onderzoek moet kunnen plaatsvinden ter informatie van de Raad voor de Kinderbescherming. Bij alle huidige klachtdelicten speelt deze kwestie niet. Dit benadrukt het verschil tussen het (inmiddels vervallen) klachtvereiste bij dit zedendelict en bij de overige klachtdelicten. Deze specifieke achtergrond maakt ook dat aan de overwegingen van Fokkens geen algemene gelding toekomt.
Daarnaast is van belang dat in het regeringsstandpunt waarnaar Fokkens verwijst niet daadwerkelijk is vermeld dat enig onderzoek zou zijn toegestaan. Daarin staat slechts dat de politie bij een vermoeden van misbruik van minderjarigen de Raad voor Kinderbescherming kan informeren, waarna een klacht zou kunnen volgen. Volgens Fokkens volgt hieruit dat de politie enig algemeen, oriënterend onderzoek zou moeten kunnen doen, maar die conclusie is mijns inziens niet gerechtvaardigd. De politie kan ook tot een dergelijk vermoeden komen vanwege onderzoek dat oorspronkelijk niet was gericht op klachtdelicten of door de ontvangst van informatie van derden. De zinsnede uit de wetsgeschiedenis waarnaar Fokkens verwijst, impliceert dus niet zonder meer dat de wetgever heeft willen toestaan dat enig onderzoek naar klachtdelicten wordt verricht voorafgaand aan een klacht.
Belangrijk is bovendien dat de gedachte dat enig oriënterend onderzoek acceptabel zou zijn niet strookt met het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan de regeling van klachtdelicten, waarbij het aan de klachtgerechtigde wordt gegeven om een zaak te laten rusten. Vanuit pragmatisch oogpunt kan het nut van ieder onderzoek voorafgaand aan een klacht worden betwijfeld, omdat verdere opsporing en vervolging louter aan de orde zijn indien uiteindelijk toch een klacht wordt ingediend. Daarnaast ontstaat het risico dat onder de noemer van oriënterend onderzoek opsporingsactiviteiten worden ontplooid die (onbedoeld toch) ruchtbaarheid geven aan het klachtdelict, terwijl de klachtgerechtigde dat niet wilde. Mijns inziens moet dan ook niet worden aanvaard dat een grijs gebied wordt gecreëerd, waarbij de mate van gerichtheid van opsporingshandelingen richtinggevend wordt voor de beantwoording van de vraag of het acceptabel is dat deze worden verricht voorafgaand aan de ontvangst van een klacht. De conclusie van Fokkens, en de wetsgeschiedenis waarnaar in die conclusie wordt verwezen, kan een andersluidende conclusie niet dragen.
Bij de beantwoording van de vraag of kan worden opgespoord zonder klacht staat de ratio achter de regeling van klachtdelicten centraal. Die ratio brengt met zich dat het initiatief tot opsporing en vervolging van het slachtoffer moet uitgaan, omdat zowel opsporing als vervolging de belangen van de klachtgerechtigde kan schaden en de wetgever voorrang heeft willen verlenen aan die belangen. Het is dus aangewezen dat onderzoek dat specifiek is gericht op klachtdelicten geheel achterwege blijft totdat een klacht is ingediend of totdat de klachtgerechtigde kenbaar maakt dat nader opsporingsonderzoek is gewenst. Daarnaast dient opsporingsonderzoek te worden gestaakt, zodra de opsporingsautoriteiten ermee bekend raken dat het onderzoek uitsluitend ziet op een verdenking van een klachtdelict. Daarbij speelt geen rol of dat onderzoek algemeen, oriënterend of meer gericht van aard is.