Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.3:7.2.4.3 Pluraliteit van slachtoffers en de opsporing en vervolging van klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.4.3
7.2.4.3 Pluraliteit van slachtoffers en de opsporing en vervolging van klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946113:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 4, paragraaf 3.3.2.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.2.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 met verwijzing naar HR 4 december 2018, NJ 2019/297, m.nt. Rozemond.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 en 4 en hoofdstuk 4, paragraaf 3.3.2 en 3.4.
In hoofdstuk 3, paragraaf 4 is in dit verband reeds gewezen op overwegingen van Rozemond en Van Dorst waarin dit standpunt wordt onderschreven.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de vraag of en in hoeverre kan worden opgespoord voorafgaand aan een klacht dient ook aandacht uit te gaan naar de mogelijkheid dat sprake is van meerdere slachtoffers van klachtdelicten die door dezelfde dader zijn gepleegd. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het geval dat één delict leidt tot meerdere gelijkelijk klachtgerechtigden en situaties waarin één dader verantwoordelijk is voor gelijksoortige klachtdelicten die diverse klachtgerechtigden zijn aangedaan. In hoofdstuk 4 is dit verschil aan de hand van rechtsbetrekkingen nader inzichtelijk gemaakt.1
Van gelijkelijk klachtgerechtigden is bijvoorbeeld sprake indien een zoon een voorwerp steelt dat aan zijn beide ouders toebehoort, waarna aan beide ouders een klachtrecht toekomt. Ook kan worden gedacht aan smaad jegens een overledene, waardoor diverse nabestaanden gelijkelijk klachtgerechtigd worden. In dit soort gevallen zet de klacht van één van hen de deur open naar opsporing en vervolging. Overeenstemming tussen de diverse klachtgerechtigden is niet vereist. De mate waarin verschillende gelijkelijk klachtgerechtigden al dan niet prijs stellen op vervolging kan echter wel meewegen in het opportuniteitsoordeel van het openbaar ministerie bij het nemen van een vervolgingsbeslissing.
Van die situatie moet worden onderscheiden dat diverse klachtgerechtigden het slachtoffer zijn van soortgelijke klachtdelicten. Zo kan één persoon zich in een bepaalde periode schuldig maken aan het afdreigen van diverse personen en kunnen de handelingen van één belager inbreuk maken op de levenssfeer van diverse personen. In hoofdstuk 3 is reeds gewezen op een arrest van de Hoge Raad uit 2004 ter zake belaging, waarin is bepaald dat de ratio van het klachtvereiste bij deze strafbepaling zich ertegen verzet dat de klacht van één klachtgerechtigde met zich brengt dat ook kan worden vervolgd voor zover de feiten zijn begaan tegen medeslachtoffers. 2Het slachtoffer van belaging dient immers steeds zelfstandig te kunnen bepalen of hij geconfronteerd wil worden met de gevolgen van een strafvervolging. Voorts wijst de Hoge Raad op het doel van art. 164 Sv waarin is bepaald dat een klacht wordt ingediend door de klachtgerechtigde of door een persoon die door hem daartoe is gemachtigd. Die bepaling strekt er volgens de Hoge Raad toe dat daadwerkelijk wordt vastgesteld dat de klachtgerechtigde zelf vervolging wenst. In hoofdstuk 3 is geconcludeerd dat deze overwegingen van de Hoge Raad – ten aanzien van de ratio van het klachtvereiste en het doel van art. 164 Sv – in zijn algemeenheid opgaan voor alle klachtdelicten. Om die reden wordt voorgesteld om de lijn van de Hoge Raad ter zake pluraliteit van slachtoffers bij belaging algemene gelding toe te kennen. Dit betekent dat de klacht van het ene klachtgerechtigde slachtoffer niet met zich brengt dat de vervolging zich kan uitstrekken tot feiten die zien op een ander klachtgerechtigd slachtoffer van wie een klacht ontbreekt. Die klachtgerechtigde moet het recht behouden om de vervolging te beletten van het feit dat hem is aangedaan.
Waar één dader zich schuldig maakt aan klachtdelicten ten aanzien van diverse personen is het voor het openbaar ministerie goed mogelijk om de vervolging te beperken tot de feiten waaromtrent een klacht is ingediend. Het is echter lastiger om de opsporing te beperken tot slechts die feiten waaromtrent is geklaagd indien de te onderzoeken verdachte zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan gelijksoortige klachtdelicten waaromtrent niet is geklaagd. De vraag is hoe hiermee moet worden omgesprongen. Een klacht van één klachtgerechtigde brengt naar mijn mening met zich dat alle opsporing is toegestaan die is gericht op het feit dat die klachtgerechtigde is aangedaan. Dat onderzoek zal zich dus ook moeten kunnen uitstrekken tot feiten en omstandigheden die naast de klager een tweede klachtgerechtigde hebben getroffen die niet heeft geklaagd. Die situatie zal zich vooral voordoen als twee (of meer ) klachtgerechtigden op (deels) dezelfde tijd en plaats het slachtoffer worden van een gelijksoortig klachtdelict waarvoor dezelfde dader verantwoordelijk is. Bij bijvoorbeeld belaging en smaad is een dergelijke situatie zeer wel denkbaar. In dat soort situaties kan het onvermijdelijk zijn dat de klacht van de één met zich brengt dat opsporingsonderzoek wordt verricht dat ook een andere klachtgerechtigde raakt, terwijl deze de zaak had willen laten rusten. De grens van acceptabele opsporing wordt mijns inziens bereikt indien de opsporing geen verband meer houdt met het feit waarover is geklaagd en is gericht op een klachtdelict waaromtrent een klacht ontbreekt.
In hoofdstuk 3 kwam echter aan bod dat de Hoge Raad in 2018 oordeelde dat het ook niet in strijd is met de strekking van de regeling van klachtdelicten om naar aanleiding van de opsporingswens van één klachtgerechtigde naspeuringen te doen naar mogelijke andere slachtoffers. De zaak zag op een verdachte die zich online had voorgedaan als minderjarig meisje, waarna zij samen met een medeverdachte diverse mannen chanteerde met wie zij online contact had gehad. De Hoge Raad oordeelde in die zaak slechts dat na de ontvangst van één klacht opsporingshandelingen ter zake andere klachtgerechtigde slachtoffers niet geïnitieerd of voortgezet dienen te worden als door een klachtgerechtigde te kennen is gegeven dat dit ongewenst is.3 Eerder in dit onderzoek is reeds verwoord dat deze ruimhartigere benadering van de opsporing van klachtdelicten bijzonder ongelukkig is. 4Het oordeel van de Hoge Raad is immers op twee punten gemankeerd. Ten eerste wordt eraan voorbijgegaan dat het belang van de niet-klagende klachtgerechtigde ook reeds kan worden geschaad met de opsporingshandelingen die worden verricht in de fase voordat zijn standpunt is ingewonnen. 5Ten tweede is het problematisch dat de Hoge Raad gevolgen verbindt aan de (toevallige) omstandigheid dat een andere klachtgerechtigde ter zake een ander klachtdelict wél heeft geklaagd. Dat is een triviale omstandigheid en geen redengevend argument om (enige) opsporing van een ander klachtdelict te accepteren.
Welbeschouwd verlaat de Hoge Raad in voornoemd arrest het uitgangspunt dat ter zake een klachtdelict slechts wordt opgespoord indien en zodra dit is gewenst en wordt opgeschoven naar de aanpak dat in relatie tot dat klachtdelict kan worden opgespoord tenzij en totdat is geuit dat dit niet is gewenst. Die keuze verdient als gezegd niet de voorkeur, omdat ook de vroegtijdige opsporing kan leiden tot – voor de klachtgerechtigde onwenselijke – ruchtbaarheid voor het feit. Het is daarnaast inconsequent dat de Hoge Raad dit gewijzigde criterium slechts toepast indien een andere klachtgerechtigde heeft geklaagd vanwege een ander klachtdelict dat hem is aangedaan. Bovendien strookt dit niet met de strekking van de regeling van klachtdelicten, waarbij het belang van de klachtgerechtigde centraal staat en het hem wordt gegeven om het feit dat hem is aangedaan te laten rusten. In het licht van het voorgaande is het aanbevelenswaardig om de lijn die de Hoge Raad in 2018 uitzette te verlaten. De idee achter het klachtvereiste impliceert dat opsporing en vervolging ter zake een klachtdelict achterwege blijft totdat de klachtgerechtigde aan wie dat feit is aangedaan zich eigener beweging meldt.
Het voorgaande laat onverlet dat de wetgever een herijking van de regeling van klachtdelicten kan overwegen voor daders die zich veelvuldig schuldig maken aan bepaalde klachtdelicten. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de steeds meer voorkomende situatie dat één dader verantwoordelijk is voor vele gevallen van afdreiging met seksueel beeldmateriaal dat via internetcontacten is verkregen. Dit fenomeen hangt samen met de modernisering en digitalisering van de samenleving en wordt ook aangeduid als sextortion. Problematisch is dat juist bij dit soort feiten de schaamte van slachtoffers maakt dat de feiten vaker en langere tijd niet onder de aandacht van justitie komen en dit daders in staat stelt meer slachtoffers te maken. Deze ontwikkeling kan de wetgever aanleiding geven om de regeling van klachtdelicten te voorzien van een wettelijke uitzondering. Bij de toevoeging van een klachtvereiste aan een strafbepaling weegt de wetgever normaliter het algemeen belang bij de vervolging van de dader tegen het persoonlijk belang dat het slachtoffer kan hebben bij het uitblijven van vervolging. In hoofdstuk 3 is reeds aan bod gekomen dat die belangenafweging anders kan uitvallen indien de wetgever zich rekenschap geeft van de mogelijkheid dat één dader zich veelvuldig schuldig maakt aan soortgelijke klachtdelicten. 6De verschillende rechtskrenkingen kunnen in samenhang bezien ertoe leiden dat het algemeen belang bij de vervolging van een en dezelfde dader toch opweegt tegen de afzonderlijke private belangen waaraan in beginsel voorrang wordt verleend. Zeker in situaties waarin de dader zich bewust stelselmatig richt op slachtoffers die geen ruchtbaarheid zullen willen geven aan hetgeen hun is aangedaan. De wet voorziet thans niet in de mogelijkheid om hiermee rekening te houden. De wetgever zou echter – ten aanzien van specifieke klachtdelicten waarbij deze problematiek speelt – wettelijk kunnen vastleggen dat opsporing en vervolging ter zake het klachtdelict ambtshalve is toegestaan indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van dat feit. Dit vermoeden kan ontstaan nadat opsporing en vervolging is gestart vanwege één of meerdere reeds ontvangen klachten. De informatie kan echter ook anderszins zijn verkregen, bijvoorbeeld via onderzoek dat was gericht op feiten waaraan geen klachtvereiste is verbonden. Een dergelijke uitzondering binnen de regeling van klachtdelicten hangt rechtstreeks samen met een hernieuwde waardering van de belangen die ten grondslag ligt aan de wettelijke toevoeging van het klachtvereiste en heeft verstrekkende gevolgen voor de mogelijkheid tot opsporing en vervolging van het specifieke klachtdelict. Tegen die achtergrond kan een dergelijke uitzondering mijns inziens slechts via een aanpassing van de wetgeving worden gerealiseerd. Het verdient niet de voorkeur om via nuances in jurisprudentie meer opsporing toe te staan, waarna klachtgerechtigden zouden kunnen worden benaderd voor het indienen van een klacht.