Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.11.2:2.11.2 Toenemende Europese (economische) integratie
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.11.2
2.11.2 Toenemende Europese (economische) integratie
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1990/91, 21 427, nr. 3, p. 3 en 50 e.v.
Brenninkmeijer 1997, p. 485-486.
Van Schagen 1994, p. 25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De commissie Deetman wees er al op in 1990: bij de analyse naar het vraagstuk van staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwingen mogen de ontwikkelingen in Europees verband niet ontbreken.1 Zoals in de paragraaf hiervoor al werd aangehaald, was de ambitie om toe te treden tot de EMU een stok achter de deur om meer begrotingsdiscipline af te dwingen. Eenmaal lid van de EMU zou een overschrijding van de criteria leiden tot het mogelijk opleggen van een financiële sanctie. Dit betekende dat de EMU grote gevolgen had voor het budgettair beleid van Nederland.
Vanuit staatsrechtelijke hoek uitte Brenninkmeijer indertijd kritiek op de totstandkoming van de muntunie. De muntunie zou de democratische machtsbalans op nationaal niveau verstoren zonder dat dit in een open debat was getoetst. Brenninkmeijer zag in de totstandkoming van de EMU en het Stabiliteits- en Groeipact zelfs een uitholling van het budgetrecht. De kaders van het budgettair beleid werden neergelegd op Europees niveau en zouden strak worden gehandhaafd. De EMU vormde een ‘sluitrede (…) in onze besluitvorming over alles wat de staat presteert’. Het parlement werd hiermee beperkt in de uitoefening van zijn budgetrecht. De constitutionele balans op nationaal niveau werd bovendien beperkt, omdat de machtsuitoefening op nationaal niveau uiteindelijk bij het parlement ligt en het parlement in deze machtuitoefening wordt beperkt.2
De ambities van de Europese integratie reikten bovendien verder dan integratie alleen. De Europese integratie kreeg een steeds meer sociale dimensie en heeft zich de laatste decennia alleen maar verder verbreed: zaken als milieu, volksgezondheid, onderwijs en sociaal beleid zijn ook gaan behoren tot de beleidsterreinen van de EU. Bovendien wordt de samenwerking, met name op het financiële, economische en het sociale terrein, steeds verder verdiept (zie hoofdstuk 4).
De toenemende Europese integratie is onderdeel van een toenemende internationalisering. Dit betekent dat de besluitvorming over de begroting inhoudelijk steeds meer genormeerd wordt door Europese en internationale regelgeving. Dit heeft tot gevolg dat de regering minder beleidsruimte heeft om het nationale beleid vorm te geven waardoor het parlement op zijn beurt ook minder invloed kan uitoefenen.3