Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/1.7:1.7 Methodologie en verantwoording
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/1.7
1.7 Methodologie en verantwoording
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685362:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek behelst een rechtsdogmatisch onderzoek.
Voor de interne rechtsvergelijking van het bestuursrecht en het civiele recht (en het fiscale recht) hanteer ik de zogenoemde functionele rechtsmethode. Ik vergelijk de verschillende rechtsfiguren uit het bestuursrecht en het civiele recht die zien op bescherming van door de overheid gewekt gerechtvaardigd vertrouwen.
Voor de theorievorming omtrent het bestuursrecht en het civiele recht heb ik gebruik gemaakt van de rechtswetenschappelijke onderzoeksmethode, namelijk het bestuderen van rechtspraak en literatuur. Het object van dat onderzoek is het geldende recht, zoals te vinden in rechtsregels, rechtsbeginselen, leerstukken, rechtspraak en rechtsliteratuur. Wat betreft de reikwijdte van de daartoe door mij onderzochte inhoudelijke bronnen, heb ik mij ten eerste gericht op de studie van de jurisprudentie van zowel de bestuursrechter als civiele rechter. Voor het bestuursrecht heb ik gekeken naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven1 en de belastingkamer van de Hoge Raad als hoogste bestuursrechters. Omdat de drempel om de hoogste bestuursrechter te bereiken niet zo hoog is als die bij de civiele rechter en deze bestuursrechters (met uitzondering van de belastingkamer van de Hoge Raad) tevens hoogste rechter in feitelijke aanleg zijn en daarom voldoende rechtspraak bij de hoogste bestuursrechter bestaat, heb ik lagere bestuursrechtjurisprudentie slechts sporadisch meegenomen. Eigen aan het bestuursrecht is daarnaast dat in het algemeen eerst een bezwaar- of zienswijzeprocedure (een bestuurlijke voorprocedure) moet worden doorlopen voordat de bestuursrechter aan zijn beoordeling toekomt.2 De uitkomsten van die bestuurlijke voorprocedures zijn gelet op de hierboven genoemde drempels in het bestuursrecht eveneens slechts beperkt meegenomen. Voor het civiele recht (en het belastingrecht in mindere mate) heb ik – gelet op de aard van de rechtspraak van de Hoge Raad3 en de relatief lage kwantiteit van zijn uitspraken – naast de rechtspraak van de Hoge Raad wél tevens de jurisprudentie van de rechtbanken en de gerechtshoven onderzocht. In het bijzonder bij die gerechten heeft bovendien de invulling van de door de Hoge Raad aangereikte maatstaven voor de beoordeling van een vertrouwensschending plaatsgevonden. Ik heb breed gezocht naar lagere rechtspraak over vertrouwensschendingen door de overheid en deze voor zover relevant meegenomen in dit onderzoek. Op basis van de lagere rechtspraak kunnen weliswaar niet snel definitieve en concludente vaststellingen worden gedaan, maar juist de combinatie van abstracte kaders en feitelijke toepassing van die kaders is nodig om tot suggesties op het gebied van rechtseenheid, rechtsconsistentie en rechtsbescherming te komen.
Daarnaast heb ik uitgebreid literatuuronderzoek verricht. Zoals hierboven opgemerkt, is over overheidsaansprakelijkheid wegens een schending van gerechtvaardigd vertrouwen reeds het nodige geschreven. Dit onderzoek bouwt daar dankbaar op voort.
Dit onderzoek beoogt zowel een wetenschappelijke als maatschappelijke bijdrage te leveren. Het maatschappelijk belang van mijn onderzoek wordt onderstreept door de zoektocht naar manieren om een (meer) betrouwbare overheid te creëren. Dit betekent niet dat elk beroep van een burger op een schending van vertrouwen moet slagen, maar wel dat (beter) moet worden uitgelegd waarom een beroep wel of niet slaagt. Daarbij geldt dat een burger in contact met de overheid niet denkt in verschillende soorten juridische uitlatingen en de rechtsgevolgen die al dan niet uit dergelijke communicatie voortvloeien. De wetenschappelijke toegevoegde waarde van dit boek is dat voor het eerst een interne rechtsvergelijking van het bestuursrecht en het civiele recht ten aanzien van de drie door mij onderzochte overheidsuitlatingen wordt gemaakt en onder andere een wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven voor het belang van erkenning van inlichtingen als bron van gerechtvaardigd vertrouwen, de rechtsdogmatische positie van de toezegging als eenzijdige rechtshandeling en de schadevergoedingsgrondslag in het bestuursrecht voor een schending van gerechtvaardigd vertrouwen. Dit onderzoek beoogt daarmee een puzzelstuk te vormen in de maatschappelijke uitdaging van het herstel van vertrouwen in de overheid.
Het onderzoek is afgesloten op 30 september 2022.