Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/3.4.5.1
3.4.5.1 Het dictum van de uitspraak van de bestuursrechter
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508625:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 mei 1991, NJ 1993/112 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1992/290 m.nt. F.H. van der Burg (Van Gog/Nederweert). Zie ook Van Maanen & De Lange 2005, p. 96.
HR 24 februari 1984, NJ 1984/669 m.nt. J.A. Borman, AB 1984/399 m.nt. E.M. van Eijden (Sint-Oedenrode/Driessen).
Mok & Tjittes 1995, p. 389 en Schlössels 2004, p. 79. Zie hierover Sanderink 2015b.
HR 31 mei 1991, NJ 1993/112 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1992/290 m.nt. F.H. van der Burg (Van Gog/Nederweert). Zie eerder HR 15 juni 1979, NJ 1980/261 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich), HR 30 januari 1981, NJ 1982/55 (Zevenaar/De Wingerd), HR 24 februari 1984, NJ 1984/669 m.nt. J.A. Borman, AB 1984/399 m.nt. E.M. van Eijden (Sint-Oedenrode/Driessen) en nadien HR 28 mei 1999, NJ 1999/508 m.nt. A.R. Bloembergen (Staat/Transol) en HR 1 oktober 1999, AB 2000/5 m.nt. Th.G. Drupsteen (Van Dijck c.s./Venray).
Dit voordeel is relatief, bijvoorbeeld indien de bestuursrechter beroepsgronden onbesproken heeft gelaten. Zie hierover Sanderink 2015b, p. 642-646.
HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382, NJ 2000/561, m.nt. M. Scheltema (Noord-Brabant/Janse). Zie ook HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9046, NJ 2001/318 m.nt. M. Scheltema, AB 2001/85 m.nt. Th.G. Drupsteen, JB 2001/26 m.nt. G.E. van Maanen, r.o. 3.4.2 (Slegers/Asten). Vgl. HR 2 juni 1995, NJ 1997/164 m.nt. M. Scheltema, AB 1995/542 m.nt. Th.G. Drupsteen, r.o. 3.3 (Aharchi/Bedrijfsvereniging).
Zie voor een toepassing van deze maatstaf Rb. Den Haag 29 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1036 (Paradigm/Staat).
Vgl. ook HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4041, AB 2006/287 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2005/57 m.nt. G.E. van Maanen (Direks/Venray), waaruit volgt dat de onrechtmatigheid van een onjuist ontwerpbesluit niet vaststaat als het bevoegde bestuursorgaan later alsnog een juist besluit neemt.
De leer van de formele rechtskracht houdt zoals gezegd in dat de burgerlijke rechter een besluit voor rechtmatig houdt, indien daartegen een bestuursrechtelijke rechtsgang openstond en deze niet of niet met succes is gebruikt. Een spiegelbeeldige regel vindt toepassing indien de burger de bestuursrechtelijke procedure wél met succes heeft doorlopen. Indien het instellen van beroep ertoe heeft geleid dat het bestreden besluit daadwerkelijk is vernietigd door de bestuursrechter wegens strijd met het geschreven of ongeschreven recht, is de burgerlijke rechter gebonden aan dit onrechtmatigheidsoordeel van de bestuursrechter. De uitspraak van de bestuursrechter op het vernietigingsberoep heeft in zoverre ‘bindende kracht voor de burgerlijke rechter in een later geding tussen partijen’, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest Van Gog/Nederweert.1 Dit betekent dat de burgerlijke rechter zich geen zelfstandig oordeel meer vormt over het besluit (dat oordeel is immers al gegeven door de bestuursrechter), maar het oordeel van de bestuursrechter overneemt.2 De regel dat de burgerlijke rechter op dit punt aansluiting zoekt bij de uitspraak van de bestuursrechter wordt wel aangeduid als de ‘omgekeerde formele rechtskracht’ of de ‘oneigenlijke formele rechtskracht’.3 De achtergrond van deze regel is gelegen in het gezag van gewijsde dat toekomt aan de uitspraak van de bestuursrechter. De burgerlijke rechter geeft de inhoudelijke aansluiting bij die uitspraak vorm door de regel te hanteren dat de onrechtmatigheid van een besluit – in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW – vaststaat met de vernietiging van dat besluit door de bestuursrechter.4 Deze regel heeft het voordeel dat in de schadevergoedingsprocedure niet (opnieuw) behoeft te worden gediscussieerd over de (on)rechtmatigheid van een besluit,5 en dient daarnaast de hiervoor gereleveerde specialiteits- en concordantiegedachten.
De leren van de eigenlijke en van de oneigenlijke formele rechtskracht houden dus de twee zijden van dezelfde medaille in. De formele rechtskracht van een besluit strekt zich – behoudens het geval waarin sprake is van inlichtingen met een zelfstandig karakter ten opzichte van het besluit (paragraaf 3.4.2-3.4.4) – uit over de wijze van totstandkoming van een besluit. Men zou zich dan ook kunnen afvragen of de oneigenlijke formele rechtskracht insluit dat ook de procedure tot voorbereiding van besluit voor onrechtmatig moet worden gehouden, of dat onderdelen van die procedure zoals informatieverstrekking als onrechtmatig worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft deze vraag – terecht – ontkennend beantwoord in het arrest Noord-Brabant/Janse.6 Uit dit arrest blijkt dat de onrechtmatigheid (en toerekenbaarheid) van handelingen die een bestuursorgaan in het kader van een voorbereidingsprocedure heeft verricht, in beginsel zelfstandig dienen te worden beoordeeld door de burgerlijke rechter. De burgerlijke rechter zal daarbij, uiteraard indien en voor zover partijen daarop een beroep hebben gedaan, de uitspraak van de bestuursrechter over het besluit waartoe de voorbereidingsprocedure heeft geleid, in zijn overwegingen dienen te betrekken en daarbij in het bijzonder aandacht dienen te besteden aan in die uitspraak gegeven oordelen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid – en de toerekenbaarheid aan het bestuursorgaan – van handelingen die deel uitmaken van de voorbereidingsprocedure.7
In de zaak Noord-Brabant/Janse werd betoogd dat de onrechtmatigheid van een tweetal voornemens tot het intrekken van een Hinderwetvergunning volgde uit de vernietiging van het nadien genomen besluit tot daadwerkelijke intrekking van de vergunning. De Hoge Raad overwoog echter dat het oordeel van de bestuursrechter dat het besluit moet worden vernietigd, niet behoeft te impliceren dat niet slechts het besluit zelf maar ook de in het kader van de voorbereidingsprocedure door het bestuursorgaan verrichte handelingen onrechtmatig zijn. De vernietiging van een besluit zal immers niet steeds haar grond vinden in een gebrekkige voorbereidingsprocedure, terwijl de beoordeling van de bestuursrechter is beperkt tot de vraag of met de voorbereidingsprocedure een voldoende grondslag is gelegd voor het nemen van het bestreden besluit.8
Voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen in het kader van een voorbereidingsprocedure betekent dit dat de onrechtmatigheid daarvan niet vaststaat met de vernietiging van het besluit waarvoor de fundering (mede) is gelegd met die inlichtingen, ongeacht of de inhoud van dat besluit in lijn lag met de inlichtingen of daarmee zelfs overeenstemt. De schadevergoedingsrechter moet zelfstandig oordelen over de onrechtmatigheid. Dit betekent echter niet dat hij het oordeel van zijn bestuursrechtelijke collega onbesproken kan laten bij de beoordeling van een vordering uit onrechtmatige informatieverstrekking (zie paragraaf 3.4.5.3).