Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.3.2.10
5.3.2.10 Toepassing van art. 2:357 lid 2 en lid 6 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652268:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling werd geïntroduceerd bij nota van wijziging, zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 7, p. 2-3. Zie ook nog Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 40, waarin abusievelijk een vermelding naar art. 2:357 lid 4 BW lijkt te zijn opgenomen.
Geerts 2004, p. 323, onder verwijzing naar Handelingen II 1993/94, 65, p. 4669.
OK 13 augustus 2012 (r.o. 2.2), ARO 2012/127 (Matchez); OK 5 augustus 2019 (r.o. 3.17), JOR 2019/222, m.nt. P.H.M. Broere (Rabat). In de literatuur wordt een rechtstreekse toepassing ook wel verdedigd, zie Leijten 2002, p. 72.
OK 22 juli 2015 (r.o. 2.2), ARO 2015/188 (Leaderland).
In art. 2:349a lid 2 BW wordt art. 2:357 lid 6 BW van overeenkomstige toepassing verklaard op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen,1 maar art. 2:357 lid 2 BW niet.
De Ondernemingskamer kan art. 2:357 lid 2 BW echter analoog toepassen op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen. Vanwege de samenhang met art. 2:357 lid 6 BW – de Ondernemingskamer kan de reikwijdte van art. 2:357 lid 6 BW oprekken met behulp van art. 2:357 lid 2 BW, waarover par. 5.3.2.9 – ligt dit ook voor de hand. Ook art. 2:357 lid 4 BW kan overigens analoge toepassing vinden op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen (par. 4.3).
Geerts leest voor een analoge toepassing van art. 2:357 BW op onmiddellijke voorzieningen ook ruimte in de parlementaire geschiedenis. Hij wijst op een passage in de parlementaire geschiedenis waarin de staatssecretaris overwoog dat de wet de Ondernemingskamer voldoende ruimte biedt ten aanzien van (de beëindiging van) onmiddellijke voorzieningen ‘een verstandig beleid te voeren’. Dat verstandige beleid kan de Ondernemingskamer volgens Geerts mede op grond van art. 2:357 BW voeren.2
Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer blijkt ook van toepassing van art. 2:357 lid 2 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen. In onder meer Matchez en Rabat paste de Ondernemingskamer art. 2:357 lid 2 BW toe bij onmiddellijke voorzieningen, waarbij de Ondernemingskamer die bepaling overigens rechtstreeks lijkt toe te passen, althans een vermelding van analoge toepassing achterwege laat.3 In Leaderland wees de Ondernemingskamer wel uitdrukkelijk op een analoge toepassing van art. 2:357 lid 2 BW.4