Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.2.1.3
4.2.1.3 Klachtdelict
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285220:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Art. 272, tweede lid, Sr jo. art. 66, eerste lid, Sr. Het voornemen bestaat om de termijn uit art. 66 Sr te schrappen (zie uitgebreider: conclusie A-G F.W. Bleichrodt van 30 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1197, par. 14).
HR (strafkamer) 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, NJB 2019/18, r.o. 4.3.2. Vergelijk: Van Walsum 1900, nr. 495 die stelt dat strafrechtelijke vervolging niet nodig is als degene wiens gegevens het betreft daartegen geen bezwaar heeft.
HR (strafkamer) 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2343, FED 2003/320, r.o. 5 en par. 11-16 van de conclusie van A-G J. Wortel. Vergelijk: rapport No 7 september 2000, nr. 2000/301, https://www.nationaleombudsman.nl/nieuws/rapporten/2000301 (online, geraadpleegd op 22 juni 2020), blz. 20 met de aldaar opgenomen verwijzing naar de (niet gepubliceerde) uitspraak van Rechtbank Assen (strafkamer) van 7 januari 1998 inzake een niet-klachtgerechtigde derde (Hof Leeuwarden 1 juli 1996, ECLI:NL:GHLEE:1996:AB7712, NJ 1998/214 had juist opdracht tot vervolging gegeven) en Rechtbank Rotterdam (strafkamer) 17 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1294, r.o. 4.2.
Art. 162, eerste lid, onderdeel b, Sv. Zie ook: rapport Ambtscriminaliteit aangeven? (WODC 2008), blz. 16 en A.J.M. Machielse, commentaar op art. 272 Sr, Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht (online, geraadpleegd op 13 februari 2019), aant. 3 over de samenloop van de bijzondere ambtsplicht en de strafverzwarende omstandigheden van art. 44 Sr.
Gedragslijn bij strafbare feiten (2001), par. 3.5 en het protocol integriteitsonderzoeken Belastingdienst (PIB), blz. 9, par. 3.5. Het PIB wordt vervangen door de Baseline Intern Persoonsgericht Onderzoek en het Protocol Persoonsgericht Integriteitsonderzoek Financiën (brief Minister van Veiligheid en Justitie van 18 december 2020 (toezegging integriteit en corruptiebestrijding), Kamerstukken II 2020/21, 28 844, nr. 222, blz. 4). Vergelijk: rapport Ambtscriminaliteit aangeven? (WODC 2008), blz. 42 over de vraag wie uiteindelijk verplicht is om aangifte te doen.
Rapport No 21 december 2020, nr. 2020/050, https://www.nationaleombudsman.nl/nieuws/rapporten/2020050 (online, geraadpleegd op 5 januari 2021). De Nationale ombudsman gaf geen oordeel over de juridische reikwijdte van art. 67 AWR, maar gaf wel een vernietigend oordeel over het eventueel doen van aangifte door de Belastingdienst van een vermeende schending van de geheimhouding door de fiscaal partner van klager als ‘tegenactie’ op een mogelijke aangifte door klager wegens schending van art. 67 door de inspecteur. Dit was intimiderend en daarmee onbehoorlijk. Vergelijk: aanwijzing 15, aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren (2020).
Art. 272 Sr is een klachtdelict dat (thans nog) aan een termijn van drie maanden is gebonden.1 Ingeval de klacht niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn moeten zijn gebleken.2 Zowel degene wiens gegevens het betreft als de Belastingdienst worden als klachtgerechtigde aangemerkt omdat met de handhaving van de fiscale geheimhoudingsplicht het openbaar belang is gemoeid.3 Aangezien de fiscale geheimhoudingsplicht is aan te merken als een bijzondere ambtsplicht, bestaat op grond van art. 162 Sv de verplichting om onverwijld aangifte te doen bij schending van deze ambtsplicht.4 Op grond van het beleid van de Belastingdienst wordt de aangifte gedaan door het hoofd van de eenheid of het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) van de FIOD.5 Van een zorgvuldig handelende Belastingdienst mag volgens de Nationale ombudsman worden verwacht dat, bij een vermeende schending van de geheimhouding door derden, hij passende maatregelen neemt.6