Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/18.2.2:18.2.2 Mandelige zaak en roerende zaken
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/18.2.2
18.2.2 Mandelige zaak en roerende zaken
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489700:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de deelgenoten geen nadere regels zijn overeengekomen zal naar mijn oordeel – gelet op de relatie tot de mandelige zaak en de erven – ten aanzien van deze gemeenschappelijke roerende zaken moeten gelden dat gebruik, beheer en genot ten dienste staan van de erven.
Uit deze relatie tot de mandelige zaak en de erven dient naar mijn oordeel het volgende voort te vloeien:
de deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer bij overeenkomst regelen (art. 3:168 lid 1), mits deze regeling niet in strijd is met, indien aanwezig, een regeling ten aanzien van de mandelige zaak en deze regeling gericht is op verhoging van het nut van de erven als bedoeld in art. 5:60. Is er geen regeling dan is de regeling van de mandeligheid, voor zover mogelijk, van overeenkomstige toepassing;
de kantonrechter kan op verzoek van de meest gerede partij in een regeling voorzien. Ook deze regeling mag niet in strijd zijn met een regeling ten aanzien van de mandelige zaak en dient gericht te zijn op verhoging van het nut van de erven als bedoeld in art. 5:60;
iedere deelgenoot is bevoegd tot gebruik, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is en niet in strijd is met een regeling ten aanzien van de mandelige zaak en geen afbreuk doet aan het nut voor de afzonderlijke erven;
iedere deelgenoot is bevoegd handelingen dienende tot gewoon onderhoud of behoud van de gemeenschappelijke zaken en handelingen die geen uitstel kunnen lijden zelfstandig te verrichten. Het overige beheer geschiedt door de deelgenoten tezamen (art. 5:170 lid 2). Tot alle andere handelingen zijn slechts de deelgenoten tezamen bevoegd. Het gaat hier dan om beschikkingshandelingen. Deze laatste handelingen zullen evenwel eerst kunnen plaatsvinden nadat de band tussen de erven en de roerende zaken is verbroken;
iedere deelgenoot is bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschappelijke roerende zaken (art. 3:171);
tenzij een andere regeling is overeengekomen delen de deelgenoten (gerechtigden tot erven) in de vruchten en andere voordelen op de wijze en voor de delen als bepaald ten aanzien van de regeling met betrekking tot de mandelige zaak. Is er geen regeling dan delen zij daarin naar evenredigheid van hun aandelen in de roerende zaken, tenzij de aard van de mandeligheid zich daartegen verzet. In de uitgaven dienen zij, tenzij bij regeling anders is bepaald, bij te dragen op de wijze zoals ten aanzien van de mandelige zaak bepaald bij een daartoe strekkende regeling. Is er geen regeling dan dienen zij naar evenredigheid van hun aandeel in de roerende zaken bij te dragen, tenzij de aard van de mandeligheid zich daartegen verzet;
een deelgenoot kan niet over zijn onverdeeld aandeel beschikken. Zie hierna onder 9;
schuldeisers van een deelgenoot kunnen zijn aandeel in de gemeenschappelijke roerende zaken niet uitwinnen. Zie hierna onder 9;
de deelgenoten zijn – gelet op de aard van de gemeenschap – niet bevoegd verdeling van de gemeenschappelijke roerende zaken te vorderen (art. 3:178);
Hier dient het Ontwerp-Meijers te worden besproken. In het Ontwerp-Meijers wordt, zoals wij zagen, bepaald:
‘Bovendien is een vordering tot verdeling uitgesloten, wanneer dit goed gemeen is tussen eigenaren van erven, gebouwen of gedeelten van gebouwen, tot welker gemeenschappelijk nut het goed is bestemd.’1
Als nadere omschrijving van de goederen waarover in dit artikel wordt gesproken schrijft hij:
‘Het zijn goederen, die bestemd zijn tot gemeenschappelijk nut van erven, gebouwen of gedeelten van gebouwen en die aan de eigenaren van deze zaken gemeenschappelijk toebehoren.’
Hierbij valt te denken aan: landbouwmachines tussen eigenaren van landerijen of lopers of vloermatten tussen eigenaren van appartementsrechten gemeen.2 Zijn dergelijke gemeenschappen aanwezig dan verzet zich de aard van de gemeenschap tegen verdeling. Het onverdeeld aandeel in een zodanige gemeenschap is, als gevolg van de bestemming van deze zaken,3 aan te merken als een afhankelijk recht. De belangrijke vraag is nu: ten aanzien van welke gemeenschap van roerende zaken mag worden aangenomen dat de aard van de gemeenschap zich tegen verdeling verzet en dat er sprake is van een afhankelijk recht. Meijers heeft ongetwijfeld gedacht aan roerende zaken die objectief (zoals vroeger bij erfdienstbaarheden) het nut van de erven zouden verhogen.
In verband met mandeligheid lijken derhalve twee soorten van gemeenschappen van roerende zaken van belang te kunnen zijn.
de gemeenschap van roerende zaken die objectief (zoals vroeger bij erfdienstbaarheden) ten nutte van de erven strekken. Verdeling van deze gemeenschapis niet mogelijk. Het recht op een onverdeeld aandeel is, als gevolg van de bestemming van de tot die gemeenschap behorende zaken, een afhankelijk recht;
de gemeenschap van roerende zaken die wel bijdragen aan het subjectieve nut doch objectief het nut van de erven niet verhogen. Verdeling van deze gemeenschap is steeds mogelijk. Het recht op het onverdeelde aandeel is wel vervreemdbaar, maar de gerechtigde is naar mijn oordeel niet beschikkingsbevoegd. Dit vloeit uit de rechtsverhouding voort.
De terminologie van art. 3:178 ‘aard van gemeenschap’ pleit naar mijn oordeel voor het aannemen van dit onderscheid.
In verband met de wijziging van lid 1 en het vervallen van het door Meijers voorgestelde lid 4 is opgemerkt dat het belang van deze beperking niet zo groot is nu ingevolge art. 3:189 de mogelijkheid tot verdeling is uitgesloten ter zake van de in afdeling 3.7.2 genoemde gemeenschappen. Voorts is in titel 5.5 ter zake van mandeligheid uitdrukkelijk bepaald dat verdeling niet mogelijk is.
‘Niettemin is het raadzaam voorgekomen om de rechter een zekere vrijheid te laten ook nog in andere gevallen, die zich bij de reeds vermelde aansluiten, in verband met de aard van de gemeenschapeen vordering tot verdeling af te wijzen.’4
Ik ben van mening dat de onder 2 genoemde gemeenschap ook zodanig aansluit bij mandeligheid, zoals die thans in de wet is geregeld, dat de aard van deze gemeenschapzich tegen verdeling verzet. Voorts vloeit uit de bestemming van de zaken voort dat het recht opeen onverdeeld aandeel in die zaken moet worden aangemerkt als een afhankelijk recht.
schuldeisers van een deelgenoot kunnen geen verdeling van de gemeenschapvorderen. De aard van de gemeenschapverzet zich daartegen.