De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten
Einde inhoudsopgave
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/4.4.2.0:4.4.2.0 Introductie
De overeenkomst van Internet Service Providers met consumenten (R&P nr. 149) 2007/4.4.2.0
4.4.2.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. L.A.R. Siemerink, datum 13-03-2007
- Datum
13-03-2007
- Auteur
mr. L.A.R. Siemerink
- JCDI
JCDI:ADS385624:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 4.4.2.2 'Eigen verplichtingen wezenlijk beperken: art. 6:237 sub b BW (prestatiebeperking)' komt art. 6:237 sub f BW echter wel ter vergelijking aan de orde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf worden de ISP-overeenkomsten aan de grijze lijst getoetst. In de onderzochte algemene voorwaarden ben ik geen bedingen tegengekomen waarin een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot verrekening wordt uitgesloten of beperkt of de ISP een verdergaande bevoegdheid tot verrekening wordt verleend dan hem volgens de wet toekomt (art. 6:237 sub g BW). Evenmin zijn er bedingen aangetroffen waarbij voor de geldigheid van een door de klant te verrichten verklaring een strengere vorm dan het vereiste van een onderhandse akte wordt gesteld (art. 6:237 sub m BW) en ook geen bedingen waarin wordt bepaald dat een door de klant verleende volmacht onherroepelijk is of niet eindigt door haar dood of ondercuratelestelling (art. 6:237 sub n BW). Art. 6:237 sub d (beëindigingsbeding), sub i (boetebeding), sub k (contractsduur) en sub 1 (opzegtermijn) BW komen in hoofdstuk 5 'Beëindiging van ISP-overeenkomsten' nader aan de orde. Art. 6:237 sub f BW (exoneratie) wordt in hoofdstuk 6 'Aansprakelijkheid in 5P-overeenkomsten' nader besproken. Genoemde artikelen worden in dit hoofdstuk daarom buiten beschouwing gelaten.1 Daar waar ik tot de conclusie kom dat de onderzochte bedingen niet op grond van de grijze lijst worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn, bekijk ik of het betreffende beding mogelijkerwijs op grond van art. 6:233 sub a BW onredelijk bezwarend is dan wel op grond van art. 6:248 lid 2 BW niet van toepassing is.