Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.2.3
10.2.3 Oproeping van getuigen voor verhoor
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer uitvoerig Duker 2008, p. 4347.
Wanneer de getuige reeds door de verdediging is medegebracht en ter terechtzitting voor het eerst om het horen van die getuige wordt verzocht dan geldt het lichtere criterium van het verdedigingsbelang, omdat in een dergelijk geval het onderzoek ter terechtzitting niet hoeft te worden aangehouden (art. 287 lid 2 j°. 288 lid 1 sub c Sv).
Op grond van artikel 411a Sv.
HR 10 juni 2007, NJ 2007, 626, r.o. 3.3.1.
HR 1 december 1992, NJ 1993, 631, m.nt. Corstens, r.o. 5.3.
Alink & Van Zeben 2006, p. 25-26 onder verwijzing naar HR 13 januari 1998, NJ 1998, 464, HR 30 november 2004, NJ 2005, 134 en HR 1 november 2011, LJN AU2689.
HR 29 juni 1993, NJ 1993, 222, m.nt. Van Veen.
Kamerstukken II 2003/04, 29 254, nr. 3, p. 14 (MvT).
HR 1 februari 2004, NJ 2004, 427 m.nt. Corstens, r.o. 6.3.2.
HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333, r.o. 3.2.1 onder verwijzing naar HR 1 februari 2004, NJ 2004, 427 m.nt. Corstens.
Duker pleit daarom voor de toepassing van een maatstaf, namelijk of het verzoek relevant is voor de beantwoording van een van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv (Duker 2008, p. 64).
HR 10 juni 2007, NJ 2007, 626, r.o. 3.4.2.
HR 13 oktober 1992, NJ 1993, 143, m.nt. Knigge, onder 2.
Bij Wet van 15 januari 1998 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (Wet herziening onderzoek ter terechtzitting), Stb. 1998, 33 (i.w.tr. 1 februari 1998). Zie ook de kamerstukken onder dossiernummer 24 692.
Hiervoor is de gang van zaken tijdens het verhoor in de verschillende fasen van het strafproces aan bod gekomen. Er is echter nog niet ingegaan op de criteria die gelden voor het oproepen of dagvaarden van getuigen voor verhoor. Voor wat betreft het politieonderzoek ontbreekt een dergelijk criterium. De politie kan naar eigen goeddunken personen oproepen om op het politiebureau te komen verklaren, zolang dit maar geschiedt in verband met het onderzoek naar strafbare feiten met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen (art. 132a Sv). Ook voor het beoordelen van getuigenverzoeken door de rechter-commissaris ontbreekt een eenduidige maatstaf. Als het gaat om verzoeken van de verdachte dan heeft de rechter-commissaris een grote discretionaire bevoegdheid om hiertoe al dan niet over te gaan. Het belang van het onderzoek is daarbij leidend.1 In het hiernavolgende zal nader worden stilgestaan bij de regels die gelden voor het oproepen van getuigen voorafgaand, tijdens en na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.
In het Nederlandse strafproces worden getuigen – zoals in hoofdstuk 7 naar voren kwam – niet standaard ter terechtzitting opgeroepen en gehoord. Dit gebeurt in de regel alleen op het moment dat de verdediging daar uitdrukkelijk om vraagt of in het (relatief geringe aantal) geval(len) dat de rechter daar ambtshalve aanleiding toe ziet. De verdediging kan zowel verzoeken om nieuwe getuigen, als getuigen wier verklaringen reeds in het dossier zijn neergelegd, op te roepen en te (doen) horen. In de juridische doctrine gaat veel aandacht uit naar de regels omtrent de oproeping van getuigen ter terechtzitting. Ook in cassatie wordt regelmatig geklaagd dat bij de afwijzing van verzoeken van de verdediging door de rechter in eerste of tweede aanleg niet de juiste maatstaf is aangelegd.
Welke toets dient te worden gehanteerd bij verzoeken van de verdediging, is afhankelijk van de fase waarin het verzoek wordt gedaan. Verzoeken (tijdig) gedaan voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting worden in eerste instantie door de officier van justitie getoetst aan de hand van het verdedigingsbelang, waarbij wordt gekeken of de verdediging door het al dan niet horen van de getuigen in zijn verdediging wordt geschaad (art. 264 lid 1 sub c Sv). Op het moment dat de officier van justitie weigert de getuige te horen of de opgeroepen getuige niet is verschenen, dan kan de verdediging het verzoek herhalen en toetst ook de zittingsrechter aan het verdedigingsbelang (art. 288 lid 1 sub c Sv). Indien pas op het onderzoek ter terechtzitting voor het eerst om het horen van een getuige wordt gevraagd, dan wordt door de rechter beoordeeld of de noodzaak van het horen wel is gebleken (art. 315 lid 1 Sv).2 In dit verband wordt gesproken van het noodzaak- of noodzakelijkheidscriterium.
In hoger beroep geldt als toets voor het horen van getuigen die bij de appelschriftuur zijn opgegeven, in beginsel het verdedigingsbelang. Indien de getuige reeds door de rechter-commissaris voorafgaand aan of na afloop van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg3 of op het onderzoek ter terechtzitting zelf is gehoord (art. 410 lid 3 j° 264 Sv), wordt door de advocaat- generaal getoetst aan het noodzaakcriterium. Ook in een latere fase gedane getuigenverzoeken, dus verzoeken die zijn gedaan ná het indienen van de appelschriftuur, worden aan het noodzaakcriterium getoetst (art. 414 lid 2 en 418 lid 3 Sv). Is een getuige wel bij schriftuur opgegeven maar niet ter zitting verschenen en verzoekt de verdediging om hernieuwde oproeping dan geldt weer het criterium van het verdedigingsbelang (art. 418 lid 1 j° 288 lid 1 sub c Sv). Uitzondering daarop is wederom het geval waarin de getuige reeds in eerste aanleg is gehoord door de zittingsrechter of de rechter-commissaris, dan wordt gekeken of opnieuw horen noodzakelijk is (art. 418 lid 2 Sv). Kortom, voor nieuwe getuigen geldt – net als in eerste aanleg – dat het aan te leggen criterium afhankelijk is van het moment waarop om de getuige wordt gevraagd, terwijl op verzoeken ten aanzien van reeds gehoorde getuigen altijd het zwaardere noodzaakcriterium van toepassing is. De reden voor het aanleggen van een zwaardere toets is gelegen in het voortbouwend karakter van de behandeling in hoger beroep.4
Het verschil tussen het verdedigingsbelang en het noodzaakcriterium is primair gelegen in de zwaarte van de toets. Volgens de Hoge Raad biedt het noodzaakcriterium de rechter in ieder geval in abstracto een ruimere marge om verzoeken te weigeren dan dat het criterium van het verdedigingsbelang biedt.5 Het is vaste jurisprudentie dat de verdachte door afwijzing van zijn verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad als het verzoek nutteloos of overbodig is. Van nutteloosheid zal sprake zijn als niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal verschijnen Een verzoek is overbodig ‘indien de punten waarover de verdediging de getuige wil ondervragen in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak van verdachte te nemen beslissing dan wel redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de getuige iets over die punten zou kunnen verklaren’.6 Alink en Van Zeben stellen dat het verkrijgen van een verklaring die kan bijdragen aan de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van een eerder bij de politie afgelegde verklaring, in principe ook in het belang van de verdediging zal zijn.7 Er zijn echter wel grenzen. Op het moment dat de getuige ook al bij de rechter-commissaris is gehoord en er geen reden bestaat tot twijfel aan de aldaar afgelegde verklaring, kan dat aanleiding zijn tot afwijzing van een verzoek. Hier is duidelijk een taak weggelegd voor de raadsman van de verdachte. Hij zal in een dergelijk geval kenbaar moeten maken wat het belang is van het horen van een bepaalde getuige.8
Bij het toepassen van het noodzaakcriterium ligt primair de nadruk op de waarheidsvinding. De wetgever stelt dat horen van getuigen noodzakelijk is ‘ofwel als rechtbank zelf meent de getuige te moeten horen, ofwel de waarborg van een fair hearing in artikel 6 EVRM en de daarmee verwante beginselen van behoorlijke procesorde horen vereisen’.9 Volgens de Hoge Raad hangt het af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre de verdachte ontkent, of de beginselen noodzaken tot (doen) dagvaarden of oproepen.10 Indien een bij de politie afgelegde verklaring het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en de getuige is bij de rechter-commissaris op deze verklaring teruggekomen of heeft op essentiële punten een ontlastende nadere verklaring afgelegd, dan is het noodzakelijk dat de getuige ter zitting wordt gehoord en nopen de beginselen van een goede procesorde tot het ambtshalve oproeping. Dat is tevens het geval wanneer de getuige ten overstaan van de rechter heeft geweigerd te verklaren. In dit soort gevallen eist een zorgvuldige totstandkoming van het bewijsoordeel volgens de Hoge Raad dat de zittingsrechter in eerste of tweede aanleg zelfstandig een oordeel vormt over de betrouwbaarheid van de verklaringen of over de redenen voor de weigering om ten overstaan van de rechter een verklaring af te leggen.11
In de praktijk is het onderscheid tussen beide criteria nogal diffuus.12 De toepassing van het noodzakelijkheidscriterium hoeft in het concrete geval niet wezenlijk te verschillen van wat met toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang zou worden bereikt, zo erkent ook de Hoge Raad.13 Ook hier gaat het om het belang van de verdediging bij de waarheidsvinding, maar er lijkt meer ruimte te zijn voor het confrontatieaspect in de afweging, in die zin dat de verdediging ook wel in de gelegenheid wordt gesteld tot het stellen van vragen aan getuigen die een voor verdachte belastende verklaring hebben afgelegd, ook als de meerwaarde voor de waarheidsvinding niet direct evident is. In dit verband kan ook worden verwezen naar Knigge die stelt dat de beide criteria hun eigen achtergrond hebben. Zo is het in artikel 315 Sv neergelegde noodzaakcriterium volgens hem geformuleerd vanuit een inquisitoir perspectief. Het oordeel van de rechter gegeven vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar de materiële waarheid staat daarbij centraal. Het criterium van het verdedigingsbelang, zoals thans is neergelegd in artikel 288 lid 1 sub c Sv, zou op een accusatoir uitgangspunt berusten, waarbij het oordeel van de verdachte dat het horen van een bepaalde getuige in het belang is van zijn verdediging centraal staat. Dat oordeel zou de rechter volgens Knigge met de grootst mogelijke terughoudendheid moeten toetsen.14 Wat daar ook van zij, er is een duidelijk verschil in achtergrond tussen beide criteria. Het noodzaakcriterium ligt reeds sinds 1926 in artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering besloten en ziet primair op het verrichten van onderzoek ten behoeve van de waarheidsvinding door een actieve rechter. Het verdedigingsbelang daarentegen is pas in 1998 in het Wetboek van Strafvordering opgenomen,15 toen er mede naar aanleiding van de jurisprudentie van het EHRM meer aandacht kwam voor het uitoefenen van het ondervragingsrecht door de verdediging en het creëren van mogelijkheden tot het bieden van tegenspraak.