Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.3.4.6:5.3.4.6 Toezicht in ontwikkeling
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.3.4.6
5.3.4.6 Toezicht in ontwikkeling
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze samenwerking is neergelegd in artikel 2 onder c Besluit (EU) 2015/1937 van de Commissie van 21 oktober 2015 tot oprichting van een onafhankelijk adviserend Europees Begrotingscomité, PbEU L 282/37.
Zie Fasone & Griglio 2012, p. 280.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vormgeving van de taak van de Raad van State is nog steeds in ontwikkeling, zo blijkt ook uit de (opzet van de) verschillende begrotingsrapportages. Het toezicht van de Raad van State heeft zich tot nu toe alleen gericht op de naleving van de Europese begrotingsregels in de preventieve fase. In dat kader kan ook de vraag gesteld worden welke toets de Raad van State zal uitvoeren als Nederland zich bevindt in de correctieve fase, dus als Nederland zich in de buitensporige tekortprocedure bevindt, of zelfs in het hypothetische, maar niet uit te sluiten, geval dat Nederland onderworpen is aan een macro-economisch aanpassingsprogramma en financiële assistentie ontvangt. In dit laatste geval is het ‘normale’ toezichtregime van het Europees Semester niet meer van toepassing op de lidstaat. Wanneer een lidstaat zich in de correctieve fase bevindt, vindt er verscherpt toezicht plaats door de Commissie en/of de ECB. In deze fase zijn ook de aanbevelingen meer ‘bindend’ nu het niet opvolgen van de aanbevelingen kan leiden tot het opleggen van een boete. Dit verandert ook de rol van de Raad van State en met name zijn rol in verhouding tot de Commissie en de beoordeling van de nationale begroting.
De verhouding tussen de Commissie en de Raad van State wordt ook niet geheel duidelijk uit het Fiscal Compact en het Two Pack terwijl beide toezien op de naleving van de Europese begrotingsregels. De Commissie verwijst in haar werkdocumenten over de evaluatie van het Stabiliteitsprogramma en het Ontwerpbegrotingsplan in ieder geval naar het oordeel van de Raad van State. Dit ligt ook voor de hand, omdat de Raad van State een oordeel geeft over de begrotingsplannen in april en september voordat de Commissie de begrotingsplannen evalueert in mei en in november.
Daarnaast is de Raad van State, als belast zijnde met het onafhankelijk begrotingstoezicht, lid van het netwerk van Fiscal Councils in de EU. Dit netwerk heeft onder andere tot doel om ervaringen en expertise uit te wisselen en waar relevant de krachten te bundelen.1 Dit netwerk zal ook samenwerken met het door de Commissie opgezette European Fiscal Board, dat de Commissie voorziet van advies over de begrotingsregels en de wijze waarop de Commissie deze hanteert.2 Hoe deze samenwerking eruit zal gaan zien is echter nog niet duidelijk.
De vraag is bovendien of het Hof van Justitie op grond van artikel 8Fiscal Compact mag beoordelen of dit onafhankelijk begrotingstoezicht correct is opgezet en de taak ervan correct is vormgegeven. Volgens Fasone en Griglio kan men uit de bewoording van artikel 8 van het verdrag afleiden dat dit wel het geval is.3 Immers het Hof van Justitie kan beoordelen of artikel 3 lid 2Fiscal Compact correct is geïmplementeerd. In dit artikel is opgenomen dat instellingen op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de begrotingsregels en dat deze moeten worden ingesteld op basis van de gemeenschappelijke beginselen van de Commissie.