Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.14:7.14 Samenvattende conclusies
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.14
7.14 Samenvattende conclusies
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977436:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eisen voor staatsinrichting en handelsrecht zijn in een Bijlage van het Algemeen Reglement voor de eindexamens der hogereburgerscholen (1870) vastgelegd. Het examen kent twaalf (3-jarige hbs) of zestien (5-jarige hbs) vakken. ‘Ene grondige, degelijke kennis van hoofdzaken’ is voldoende voor het mondeling examen staatswetenschappen. Het examen boekhouden inclusief recht (handelspapieren met verplichtingen) was schriftelijk. In 1875 stelt Steyn Parvé voor de examenvakken te beperken tot twaalf, waaronder staatsinrichting, maar handelswetenschappen (en recht) niet. Naast de omvang van de examens speelt de vraag naar een landelijk of schoolexamen. De Mij tot Nut van 't Algemeen wijst een staatsexamen af, maar de A.V.M.O. - gehoord de leden - niet. Wel dient het examen in vakken te worden beperkt ten koste van onder meer handelsrecht. Het Examenreglement en -Programma van 1901 handhaaft het staatsexamen en regelt een schriftelijk examen in aardrijkskunde en geschiedenis.
Het Algemeen Reglement en Programma van 1912 bepaalt dat het cijfer zeven, in plaats van zes, voor het schriftelijk examen vrijstelt van het mondeling. In afdeling C: geschiedkundige en staats- en handelswetenschappen wegen staatsinrichting, staathuishoudkunde en de statistiek, en boekhouden één keer en aardrijkskunde en geschiedenis twee keer. Het examen is sinds 1920 deels een door de commissie-Woltjer voorgesteld schoolexamen. Het schriftelijk omvat acht vakken. Handelswetenschappen en staatsinrichting zijn vervallen. Vanaf 1938 kunnen extraneï staatsexamen hbs-A en -B doen.
In 1929 is het Reglement en Programma gewijzigd voor het curriculum hbs-b. Uit de vakken mechanica en handelswetenschappen maakt de abituriënt voortaan een keuze. Door rijksbezuiniging is in 1934 het Reglement en Programma opnieuw gewijzigd. Het aantal deskundigen is bepaald op drie. Die voor de talen of een der leraren woont mondelinge examens bij in talen, staathuishoudkunde en de statistiek, aardrijkskunde en geschiedenis. Handelswetenschappen verviel als examenvak en vrijstelling voor staathuishoudkunde was in bepaald geval mogelijk (op hbs-b). Over de duur van het mondeling examen verschijnt in 1960 een KB, waarvan de werking is opgeschort tot 1962. De inspectie bepaalt jaarlijks voor het mondeling examen geschiedenis of aardrijkskunde op hbs-a, natuur- of scheikunde op hbs-b en twee talen uit Frans, Duits en Engels op hbs-a en -b.
De uren staatsinrichting zijn van 1864-1920 ongewijzigd. Vanaf 1920 wordt het op de hbs onderwezen in de derde en vierde klas. Hbs-b kent in de vierde klas vanaf 1941, onder invloed van de bezetter, geen lesuren staatsinrichting. De exameneis hbs-a is ‘wording, taak en betekenis van de Staatsinstellingen’. De positie wijzigde vanaf 1968 door de samenvoeging op alle scholen met geschiedenis, met als gevolg beknoptere uitgaven staatsinrichting.
In tegenstelling tot de vaknaam is de positie van (het vak) recht van 1864-2005 ongewijzigd. Het omvat privaat- en belastingrecht, en sociale wetgeving, heet van 1937-1954 recht van het maatschappelijk verkeer, behoort tot 1968 tot het vak handelswetenschappen en is in 1970 in de Wvo gekoppeld aan de vakken economische wetenschappen I en II (vwo) en handelswetenschappen (havo) die in 1997 door management & organisatie (m & o) zijn vervangen. Van 1997-2005 bevat dit laatste vak juridische thema’s. Het wordt op zijn beurt in 2018 omgezet in het vak bedrijfseconomie (BOF). Recht kent daarin een rentree in het domein B Van persoon naar rechtspersoon.
De vakdidactiek recht op hbs-a en vwo/havo heeft zich hoegenaamd niet (door)ontwikkeld. Vanaf 1936 heeft Duyverman de Queerverbindingen aanbevolen tussen economische aardrijkskunde, geschiedenis, handelskennis, - recht en -rekenen. De didactische werkzaamheden hebben beperkt navolging gevonden. Het ontbreken van een ULO recht en de ex lege verkregen bevoegdheid recht op grond van een doctoraat of doctoraal Nederlands recht zijn hier - mede - debet aan.
Leerboeken staatsinrichting en recht zijn geanalyseerd aan de hand van het uitgiftejaar, de opzet en de trias politica (1864-1990) en de politieke kringloop (vanaf 1990) als curriculumkern. De meeste uitgaven staatsinrichting kenmerken zich door een behandeling van de Grondwet, de voornaamste organieke wetten en de decentralisatie (provincie, gemeente en waterschap). De politieke kringloop van Easton komt in de leerboeken bescheiden aan bod. Het accent in de behandeling blijft op de trias politica rusten als constitutioneel leerstuk. Eerst vanaf 2000 bevatten meer uitgaven de politieke kringloop. Nog schaarser zijn leerboeken die (rechts)pluraliteit en diversiteit behandelen. De uitgaven zijn cognitief en bevatten weinig aanzetten tot oefening in juridisch denken.
Van 1864-1923 is (handels)recht in de leerboeken boekhouden opgenomen. Deze zijn vanaf 1923 op hbs-a voor recht in omloop, en vormen een afspiegeling van de academische curricula voor privaat-, belasting- en sociaal recht. Ze bevatten geen oefeningen in juridische vaardigheden als het kritisch lezen van de Grondwet en de jurisprudentie. De afsluitende vragen zijn overwegend reproductief tot in 1968 op vwo/havo meer productieve vragen hun intrede deden. Dat kwam de behandeling zeer ten goede.
Aan burgerschapsvorming hebben staatsburgerlijke vorming en in beperkte mate juridische vorming cognitief kunnen bijdragen. Staatsinrichting en recht kenden met het constitutionele recht respectievelijk het privaat-, belasting- en sociaal recht een positiefrechtelijk karakter en zijn door de cognitieve exameneisen vanaf 1870 geregeerd. Beide vakken hebben zich van nuttige vorming tot burgerschapsvormende vakken ontwikkeld als voorboden van de vorming van leerlingen tot belangstellende en de gelijkheid van mensen respecterende participanten in de democratische rechtsstaat en pluriforme samenleving. Voor de wijzigingsvoorstellen in par. 12.1 en 2 en in de aangehangen codificatievoorstellen I en II is de conclusie gerechtvaardigd te streven naar herkenbaarheid, werkbaarheid en inpassing van doelgerichte en samenhangende burgerschapsvorming in de heersende vakkenstructuur, waarin het programma van toetsing en afsluiting (PTA) met de doelbepalingen als burgerschapsopdracht, curricula en (eindtermen in) examenprogramma's van funderend onderwijs zijn gecodificeerd.