Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/4.5.1
4.5.1 ‘Kan’-bepalingen en onttrekkingsmogelijkheden
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285610:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 9 oktober 2013 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enige andere wetten in verband met fraudeaanpak door gegevensuitwisselingen en het effectief gebruik van binnen de overheid bekend zijnde gegevens, Kamerstukken II 2012/13, 33 579, Stb. 2013, 405. Vergelijk: art. 107, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000 creëert een bevoegdheid, maar geen verplichting om spontaan informatie te verstrekken.
Art. 43c, eerste lid, onderdeel l, ten derde, Uitv. Reg. AWR 1994. In art. 43c, tweede lid, Uitv. Reg. AWR 1994 is daarom een uitzondering op de hoofdregel (informatie wordt verstrekt op verzoek) opgenomen. Vergelijk: art. 126nd, tweede lid, Sv jo. art. 96a Sv en art. 218 Sv en het beleid zoals opgenomen in par. 5.4.1 Instructie informatieverstrekking (2020).
Art. 5.2.3 WMO 215 bepaalt dat de Belastingdienst bevoegd is uit eigen beweging en desgevraagd verplicht is relevante informatie te verstrekken. Deze bevoegdheidsregeling wordt door art. 67 AWR tenietgedaan.
Een uitzondering hierop betreft de informatieverplichting van art. 27 Wet BIBOB die een eventuele geheimhoudingsplicht doorbreekt. Deze verplichting vervalt ingeval sprake is van een zwaarwegend belang. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat art. 67, AWR geen zwaarwegend belang is (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 883, nr. 3, blz. 74-75).
Hoofdstuk 3, par. 6.4.3.
Vergelijk: Hof Den Haag (civiele kamer) 18 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1409, r.o. 24 waarin een notaris via een civiele procedure een brief van de Belastingdienst aan het BFT vorderde om zich te kunnen verweren tegen de tuchtrechtelijke procedure. De vordering werd – gezien art. 67 AWR – afgewezen. Voor een nadere belangenafweging was geen plaats meer.
Hof Amsterdam (civiele kamer) 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3461, V-N 2021/9.20, r.o. 3.16-3.17. In de aantekening bij het arrest vraagt de redactie Vakstudie Nieuws zich af of dit niet art. 67 IW 1990 moet zijn. Het hof heeft de bevoegdheid om geheimhouding op te leggen op grond van art. 28 Rv. Vergelijk: art. 49, zesde lid, IW 1990.
Hoofdstuk 3, par. 5.4.
Ook de bepalingen van art. 5:16 en art. 5:17 Awb worden soms genoemd. Uit een beperkt (literatuur)onderzoek kan worden afgeleid dat deze inlichtingenverplichtingen niet is bedoeld om gegevens op te vragen bij andere bestuursorganen (Van der Meulen 2014, blz. 116 en Schueler & Widdershoven 2014, blz. 116). Voor inspecteur zal echter art. 5:20, tweede lid, Awb gelden (O.J.D.M.L. Jansen, commentaar op art. 5:20 Awb, aant. 2.2.4 Module Algemeen Bestuursrecht (online, geraadpleegd op 20 maart 2020) noemt de belastingambtenaar als een van de verschoningsgerechtigden).
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 9, par. 4.1 en par. 4.2.
Zie uitgebreider: par. 5.3.
Art. 67, tweede lid, onderdeel a, AWR bepaalt dat de fiscale geheimhoudingsplicht niet van toepassing is ingeval enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht. Er zijn echter wettelijke voorschriften die als ‘kan’-bepaling zijn geformuleerd. In het licht van art. 67 AWR behoeven deze bepalingen een nadere toelichting. Is in art. 54, eerste lid, Wet Suwi voor de Belastingdienst nog een verplichting opgenomen om desgevraagd informatie te verstrekken, het tweede lid bepaalt dat een ieder uit eigen beweging die informatie ‘kan’ verstrekken. Deze spontane informatieverstrekking is niet op de Belastingdienst van toepassing. Het is immers een keuzemogelijkheid en géén verplichting in de zin van art. 67, tweede lid, onderdeel a, AWR. Juist vanwege het ontbreken van enige verplichting is met ingang van 1 januari 2014 art. 54, zesde lid, Wet Suwi in werking getreden die de Belastingdienst verplicht om spontaan informatie te verstrekken.1 Vergelijkbaar is de aangiftebevoegdheid van art. 161 Sv. Anders dan de aangifteverplichtingen van art. 160 Sv (zeer ernstige misdrijven) en art. 162 Sv (ambtsmisdrijven) is bij art. 161 Sv geen sprake van een wettelijke verplichting, zodat art. 67 AWR onverkort van toepassing blijft. Teneinde rechtmatig gebruik te kunnen maken van deze aangiftebevoegdheid is in art. 43c Uitv. Reg. AWR 1994 een generieke ontheffing van de geheimhoudingsplicht verleend.2 Om dezelfde reden is de ‘kan’-bepaling uit art. 5.2.3 WMO 2015 dan ook zinledig.3
Hiermee vergelijkbare situaties – dat een aan de fiscale geheimhouding onderworpen subject zich kan onttrekken aan een wettelijke verplichting – doen zich ook voor. Ingeval de inspecteur de mogelijkheid heeft zich aan een informatieverplichting te onttrekken, volgt logischerwijs – gezien de strikte geheimhoudingsbepaling van art. 67 AWR – dat hij ook geen andere keuze heeft dan van die mogelijkheid gebruik te maken teneinde zijn verplichting tot geheimhouding te verzekeren.4 Een voorbeeld hiervan is het in Hoofdstuk 3 genoemde Nationaal Archief;5 juist vanwege de expliciet geboden mogelijkheid om fiscale gegevens te vernietigen, waardoor de strikte fiscale geheimhouding wordt gewaarborgd, kan er in principe niet meer voor worden gekozen om aan deze fiscale gegevens een archiefbestemming te geven (historisch, statistisch of wetenschappelijk doel). Ook de exhibitieplicht van art. 843a Rv kan worden beperkt ingeval op de gevraagde stukken geheimhouding rust.6 In een civiele procedure over aansprakelijkheidstelling voor openstaande belastingschulden legde het hof – onder verwijzing naar art. 67 AWR – geheimhouding op aan de ontvangende partij met betrekking tot de gevraagde stukken.7 Hetzelfde speelt bij de in Hoofdstuk 3 behandelde op de zaak betrekking hebbende stukken van art. 8:42 Awb.8 Ook hier heeft de inspecteur – gezien de strikte, fiscale geheimhoudingsbepaling – geen keuzevrijheid, maar een verplichting om in voorkomende gevallen een beroep te doen op art. 8:29 Awb teneinde zich te onttrekken aan de verplichting van art. 8:42 Awb.9 Hiermee vergelijkbaar is de eerbiediging van de door de verwijzende belastingrechter toegekende anonimiteit bij het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU of het EHRM.10 Voor het hierna te behandelen verschoningsrecht van de belastingambtenaar die als getuige wordt opgeroepen, geldt eveneens dat hij geen keuzevrijheid heeft en in principe een beroep moet doen op het aan hem toekomende wettelijk verschoningsrecht.11 Ingeval de belastingambtenaar desalniettemin om hem moverende redenen toch zou willen getuigen is daarvoor een individuele ontheffing van de geheimhouding vereist.