Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.2.3
8.2.3 Getuigenverhoor is doorgaans geen alternatief
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS375930:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Tombe-Grootenhuis 2000, p. 301-313.
HR 19 september 2003, NJ 2005, 454, r.o. 3.6 (Van Hulst/Van Eeuwijk).
Krans 2007, p. 373 in annotatie onder HR 6 oktober 2006, NJ 2006, 547.
Sijmonsma 2007, p. 21 en p. 54; Sijmonsma 2010, p. 27-28, 194.
Hof Den Bosch 28 september 2004, JOR 2005, 23, r.o. 4.6.2(BVR/Ho-Cla); Rb. Amsterdam 13 april 2005, JOR 2005, 142, r.o. 9.2(Verder/Hagemeyer); Rb. Amsterdam 24 januari 2007, LJN AZ7826, r.o. 2.6.2 (MPR/Boschlust); Rb. Rotterdam 4 maart 2009, LJN BH5652(Sign-Control/ Melksteeg); Rb. Rotterdam 19 maart 2008, LJN BC9708, r.o. 3.9 (Adicom/Slotboom c.s.); Rb. Utrecht 12 september 2007, LJN BB3722, r.o. 3.46 (OPG/Quigley c.s.).
Rb. Den Haag 11 april 2007, rolnr. 06.3024, r.o. 3.3 (X/Y).
Rb. Zwolle (vzr.) 20 december 2007, LJN BC1286, r.o. 4.10 (X/IJsselmeerziekenhuizen).
Rb. Den Bosch 16 april 2008, LJN BC 9695, r.o. 2.12 (Allianz c.s./De Langstraat Verhuur).
Rb. Rotterdam 7 mei 2008, LJN BD4074, r.o.3.9 (X/Fortis Bank).
Hof Amsterdam 27 januari 2005, NJ F 2005, 176, r.o. 2.12 (Delta Lloyd c.s./Tunnelcombinatie Heinenoord c.s. ).
Rb. Dordrecht (pres.) 13 maart 1996,KG 1996, 217, r.o. 3.3. {VanPelt/Van Wijnen): vooruitlopend op getuigenverhoor behoeven geen bescheiden verstrekt te worden; Rb. Amsterdam (vzr.) 4 juli 2002, JOR 2002, 142, r.o. 6 (Ten Doesschate q.q./AFM), waarin een curator informatie verzocht over contacten tussen zijn gefailleerde en de AFM;Rb. Zutphen 4 januari 2006, LJN AV 1712, r.o. 2.7 (Apeldoorn/IntranedBeheer) waarin gevraagd werd om aantekeningen van een ambtenaar op een vergunningsaanvraag; Rb. Amsterdam 11 april 2007, LJN BB 1856, r.o. 8.7(Mr Schimmel-penninck q.q./Xc.s), waarin gevraagd werd om rapporten over onregelmatigheden in de boekhouding van de failliet en naar de oorzaken van het faillissement; Rb. Zutphen 23 januari 2008, LJN BC2626 r.o. 5.7 (MeatProvider/Xc.s.), waarbij verstrekking van overzicht van betalingen aan klanten werd afgewezen, omdat reeds was aangeboden daarover getuigen te horen; Rb. Zutphen 20 augustus 2008,LJN BE8959 r.o. 4.7 en 4.8 (X/Philadelphia), waarbij gespreksverslagen werden geweigerd, omdat het daarop gebaseerde rapport over grensoverschrijdend gedrag in de werkrelatie reeds was verstrekt, aan gehoorde collega's vertrouwelijkheid was toegezegd én werknemers als getuigen gehoord konden worden, terwijl de werknemer de hem opgedragen overplaatsing niet aanvocht; Rb. Assen 29 oktober 2008 te kennen uit Hof Leeuwarden 4 augustus 2009, LJN BJ4901(Kohler Mira/De Melker) omdat reeds een voorlopig getuigenverhoor was geëntameerd.
Hof Den Haag 9 oktober 2007, LJN BB6971, r.o. 12 (Deloitte & Touche/Alja c.s.).
Hendrikse & Jongbloed 2007, p. 263.
Ik kom dan bij het thema, waar in de praktijk het meest over te doen is geweest: de vraag of getuigenbewijs voorgaat boven bewijs door bescheiden. Over het arrest uit 1998, waarin de Hoge Raad na geleverd getuigenbewijs geen grond zag voor verstrekking van een koopovereenkomst, liet De Tombe-Grootenhuis zich kritisch uit in een betoog, waarin zij bepleitte dat de overeenkomst gewoon verstrekt had moeten worden.1 Die opvatting spreekt hoe dan ook aan, wanneer nog geen getuigenverhoor heeft plaatsgehad. In dat geval is het niet erg praktisch om de voorkeur te geven aan het eerst leveren van getuigenbewijs: als met stukken iets bewezen kan worden, dan is verstrekking daarvan in de regel een stuk minder bewerkelijk dan het gelasten en houden van een getuigenverhoor.
Indien wel de voorkeur gegeven wordt aan het eerst houden van een getuigenverhoor, moet bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van een teleurstellende uitkomst. Het kan immers zijn, dat de getuige zich onder invloed van het tijdsverloop maar bitter (te) weinig goed kan herinneren. Niet alleen is het logisch dat herinnering onder invloed van de tijd vervaagt, bovendien wordt van een getuige niet gevergd dat hij zijn geheugen voorafgaand aan een verhoor opfrist. Onder omstandigheden kan van een getuige weliswaar worden verlangd dat hij zich ter voorbereiding op een door hem af te leggen verklaring op de hoogte stelt van schriftelijke stukken of kennis neemt van andere gegevens die eraan kunnen bijdragen dat hij zijn geheugen opfrist en op een adequate wijze op vragen zal kunnen antwoorden. Het vereiste dat een verklaring betrekking moet hebben op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten staat er echter aan in de weg dat de getuige verplicht wordt zich op het verhoor voor te bereiden door een onderzoek in te stellen naar feiten en omstandigheden die hem niet uit eigen wetenschap bekend zijn.2
In de literatuur gaan de handen voor deze beperking van de exhibitieplicht dan ook niet op elkaar, zo blijkt in elk geval ook uit bijdragen van Krans3 en Sijmonsma.4 Ook de rechter wijst met regelmaat het betoog af dat de voorkeur gegeven moet worden aan getuigenverhoor boven verstrekking van bescheiden en beval zodoende onder meer de verstrekking van notulen,5 een due diligence rapport,6 een strafdossier,7 verslagen van bij een intern onderzoek gevoerde gesprekken,8 een opleveringsrapport9 en bandopnamen.10 Zelfs werd een verzoek tot houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen, omdat de praktischer weg van een vordering tot afgifte van bescheiden gevolgd kon worden en ook gevolgd werd.11
Soms lukt het wel de rechter onder invloed van de parlementaire geschiedenis op andere gedachten te brengen.12 Het meest opmerkelijk is daarbij wat mij betreft de rechter die de zaak naar getuigenverhoor verwees onder aanhaling van de parlementaire geschiedenis en met de kanttekening dat het niet relevant was of een procespartij waarvan bescheiden worden gevraagd, zichzelf tegenspreekt en selectief stukken produceert.13
De uitspraken die verplichten tot verstrekking van bescheiden boven het eerst houden van een getuigenverhoor verdienen wat mij betreft bijval. Het opvragen van bescheiden zal immers vaak veel efficiënter en minder kostbaar zijn dan het houden van een getuigenverhoor. Voor die weg valt te meer wat te zeggen, wanneer een getuige moet verklaren over feiten die in een ver(der) verleden liggen, waardoor diens verklaring aan betrouwbaarheid kan inboeten. Zodoende schrijft ook Asser, dat getuigenbewijs vaak een bewijsmiddel is met minder intrinsieke waarde dan een schriftelijk stuk, zodat niet te krenterig omgegaan zou moeten worden met verzoeken om belangrijke stukken op tafel te krijgen in het kader van de feitenvast-stelling.14
Ik denk dan ook dat de weigeringsgrond dat behoorlijke rechtspleging ook anderszins is gewaarborgd, nauwelijks betekenis heeft, als het gaat om afweging tussen exhibitieplicht en het houden van een getuigenverhoor.