De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.10.5:4.2.10.5 Europese verplichting voor de lidstaat = subsidieverplichting voor de eindontvanger?
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.2.10.5
4.2.10.5 Europese verplichting voor de lidstaat = subsidieverplichting voor de eindontvanger?
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS394877:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 98 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden.
HvJEG 21 juni 2007, C-158/06 (Stichting ROM), Jur. 2007, p. 1-5103, AB 2007, 239, m.nt. H. Griffioen en W. den Ouden, r.o. 26.
Zie hieromtrent ook punt 3 van de annotatie van Griffioen & den Ouden.
HvJEG 19 september 2002, C-336/00 (Huber) Jur. 2002, p. 1-7699, r.o. 43 en 48.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.2.8 is aangenomen dat bepalingen neergelegd in Europese subsidieverordeningen geen subsidieverplichtingen voor de eindontvanger kunnen inhouden, indien zij zijn gericht tot de lidstaten of nationale uitvoeringsorganen. Zij binden de eindontvanger van de Europese subsidie niet, ook niet als sprake is van een verplichting ten aanzien waarvan de lidstaat geen beoordelingsmarge toekomt. Nationale uitvoeringsorganen zijn uiteraard wel gehouden ervoor zorg te dragen dat de desbetreffende subsidieverplichting, zoals het voeren van een deugdelijke projectadministratie, ook gelding krijgt in de nationale subsidieverhouding tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. Indien een nationaal uitvoeringsorgaan dit nalaat, rijst de vraag of de op de lidstaat rustende verplichting die is neergelegd in de Europese subsidieverordening toch rechtstreeks aan de eindontvanger van de Europese subsidie kan worden tegengeworpen. Dit zou betekenen dat een nationaal uitvoeringsorgaan — aangenomen dat de eindontvanger van de Europese subsidie zich niet aan deze verplichting houdt — tot terugvordering moet overgaan. De niet-naleving van een bepaling uit een Europese verordening leidt immers tot de conclusie dat sprake is van een onregelmatigheid en in geval van onregelmatigheden rust op de lidstaten de verplichting de Europese subsidie terug te vorderen.1
Het Hof van Justitie heeft op de vraag wat betreft de gebondenheid van eindontvangers van Europese subsidies aan dergelijke subsidieverplichting neergelegd in Europese verordeningen nog geen expliciet antwoord gegeven. Het betreft een lastige kwestie. Enerzijds moet zijn voldaan aan de eisen van rechtszekerheid en legaliteit inhoudende dat een eindontvanger van een Europese subsidie exact in staat moet zijn om zijn verplichtingen te kennen. Anderzijds moet worden voorkomen dat Europese subsidies bij een eindontvanger blijven berusten, terwijl de voor de lidstaat geldende verplichtingen niet zijn nageleefd.
Er bestaat wel jurisprudentie van het Hof van Justitie over de vraag in hoeverre beschikkingen van de Europese Commissie gericht tot een lidstaat die niet zijn gepubliceerd subsidieverplichtingen kunnen inhouden voor de eindontvanger van de Europese subsidie. In de uitspraak Stichting ROM komt het Hof van Justitie tot het oordeel dat dit in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.2 Van belang in die zaak was dat de lidstaat Nederland de enige adressaat was van de beschikking van de Commissie. Voorts was de beschikking niet gepubliceerd en hebben de Nederlandse autoriteiten de daarin vermelde subsidieverplichtingen niet meegedeeld aan de Stichting ROM.3 Uit het arrest wordt echter niet duidelijk welk argument doorslaggevend was: de omstandigheid dat de beschikking niet was gepubliceerd of de omstandigheid dat de beschikking was geadresseerd aan de lidstaat.4 Indien het laatste het geval was, dan wekt het bevreemding dat het Hof van Justitie zoveel overwegingen wijdt aan het feit dat de beschikking niet was gepubliceerd en de subsidieverplichting niet aan Stichting ROM was meegedeeld. Op grond van het arrest Huber leek immers te gelden dat uit een gepubliceerde beschikking van de Europese Commissie die is gericht tot de lidstaat, reeds niet rechtstreeks verplichtingen kunnen voortvloeien voor de eindontvanger van de Europese subsidie, om de reden dat de beschikking uitsluitend tot de betrokken lidstaat is gericht.5 Niet duidelijk is in hoeverre Huber nog geldt na het arrest Stichting ROM. Wellicht dat inmiddels moet worden geoordeeld dat de adressaat van de verplichting niet relevant is. De eindontvanger van de Europese subsidie moet zelf maar bedenken dat de verplichting die is gericht tot de lidstaat, ook op zijn Europese subsidie van toepassing is. Hoewel dit standpunt naar mijn mening op gespannen voet staat met het rechtszekerheidsbeginsel, durf ik niet te stellen dat het Hof van Justitie deze route niet zou kiezen.