Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/7.2.4
7.2.4 Voorlopige inhoudsopgave
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS357396:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ministerie van IenM, Kabinetsbrief stelselherziening omgevingsrecht 2012, bijlage 2 en bijlage 3 (Werking van het stelsel van de Omgevingswet). Par. 7.2.3 bevat een samenvatting van bijlage 3, par. 1.2.
Zie hfds. 4.
Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 voor milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie van de richtlijnen 85/337/EEG, 97/11/EG, 2003/35/EG en 2009/31/EG) (PbEU 2012 L 26/1).
Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's(PbEG 2001 L 197/30).
De hiervoor genoemde opbouw en ontwerpprincipes moeten volgens het kabinet leiden tot een Omgevingswet met daarin de in overzicht 7.1 genoemde voorlopige indeling in hoofdstukken en paragrafen.1
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Hoofdstuk 6. Voorbereiding, procedures en rechtsbescherming
1.1 Begripsbepalingen
6.1 Algemene bepalingen
1.2 Doelstelling en toepassingsgebied
6.2 Elektronisch verkeer
1.3 Zorgplicht voor de leefomgeving
6.3 Programma's
1.4 Experimenteerbepaling
6.4 De omgevingsvergunning
Hoofdstuk 2 De kwaliteit van de leefomgeving
6.5 Projectprocedure
2.1 Algemene bepalingen
6.6 Milieueffectrapportage (procedures)
2.2 Normen voor de leefomgeving
6.7 Aanvullende procedurele bepalingen
2.3 Aanwijzing van gebieden en netwerken
6.8 Betrokkenheid andere bestuursorganen bij besluitvorming
2.4 Het beheer van de leefomgeving
6.9 Inwerkingtreding en rechtsbescherming
2.5 Informatie over de leefomgeving
Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage
Hoofdstuk 3 Omgevingsvisies en programma's
7.1 Algemene bepalingen
3.1 Algemene bepalingen
7.2 Milieueffectrapportage voor plannen
3.2 Omgevingsvisies
7.3 Milieueffectrapportage voor besluiten
3.3 Programma's
7.4 Evaluatie
Hoofdstuk 4 Algemene regels voor activiteiten in de leefomgeving
7.5 De Commissie voor de milieueffectrapportage
4.1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 8-10 Gereserveerd
4.2 De omgevingsverordening
Hoofdstuk 11 Gedoogplichten
4.3 Algemene regels ter bescherming van de leefomgeving
Hoofdstuk 12 Calamiteiten/Ongewone voorvallen en sanering
4.4 Algemene regels voor bepaalde onderdelen van de leefomgeving
Hoofdstuk 13 Financiële bepalingen
Hoofdstuk 5 De omgevingsvergunning en het projectbesluit
Hoofdstuk 14 Bestuursrechtelijke handhaving
5.1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 15 Verdere bepalingen
5.2 De omgevingsvergunning
Hoofdstuk 16 Slotbepalingen
5.3 Projectprocedure
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen bevat definities, de doelstelling van de wet, een algemene zorgplicht en een experimenteerbepaling.
Bij de doelstelling wordt gedacht aan: Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn erop gericht een veilige en gezonde leefomgeving te bewerkstelligen en deze op een duurzame en doelmatige wijze te kunnen behouden, beheren, gebruiken en ontwikkelen.'
Bij de algemene zorgplicht gaat het om een verplichting voor eenieder om voldoende zorg voor de leefomgeving in acht te nemen. Dat houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteiten nadelige gevolgen voor de leefomgeving kunnen hebben dergelijke activiteiten achterwege laat dan wel maatregelen neemt om gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.
Hoofdstuk 2 De kwaliteit van de leefomgeving bevat de grondslagen voor normen voor de leefomgeving. Deze normen geven primair de beleidsdoeleinden aan die richting gevend zijn voor de bestuursorganen bij de inzet van de bevoegdheden, die deze wet hen toekent en andere beleidsinstrumenten. Rijk en provincies kunnen (en voor een deel: moeten) normen stellen ter waarborging van kernwaarden als veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Dit hoofdstuk bevat verder een regeling voor de aanwijzing van gebieden en netwerken, voor het beheer van specifieke onderdelen van de leefomgeving en voor verkrijgen van informatie over de leefomgeving (de monitoring) en het verstrekken van de aldus verkregen informatie aan andere overheidsinstanties en aan het publiek.
Hoofdstuk 3 Omgevingsvisies en programma's regelt de beleidsplanning door de overheid. Rijk en provincies moeten, gemeenten mogen elk één omgevingsvisie vaststellen, een integrale langetermijnvisie van een bestuursorgaan over de noodzakelijke en de gewenste ontwikkelingen in zijn bestuursgebied. De visievorming op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, verkeer en vervoer, water, milieu, ruimtelijke aspecten van natuurbeleid, gebruik van natuurlijke hulpbronnen en cultuurhistorie wordt in de omgevingsvisie niet slechts samengevoegd, maar ook met elkaar verbonden.
De visie biedt daarmee een beleidsmatige grondslag voor een samenhangende inzet van programma's, besluiten en andere beleidsinstrumenten. Het instrument komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie, verkeers- en vervoerplannen, nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen.
Het programma omvat concrete maatregelen voor behoud, beheer, gebruik en ontwikkeling van de leefomgeving. Het kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten.
Het kan plannen bevatten voor uitvoering van projecten of maatregelen om sectorale doelen te verwezenlijken. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door een bestuursorgaan dat het vaststelt. Voor enkele onderwerpen zijn programma's wettelijk voorgeschreven ter implementatie van Europese richtlijnen. Verder stelt een bestuursorgaan een programma op als de op grond van hoofdstuk 2 gestelde normen overschreden zijn of dreigen te worden. Rijk en provincie kunnen in een programma ook andere bestuursorganen betrekken. Verder is het mogelijk dat een programma wordt vastgesteld door meer dan één bestuursorgaan. In bijzondere situaties, in het bijzonder waar normen overschreden zijn of bijna overschreden worden, kan een programma ook worden gebruikt om regie te voeren op nog toe te laten projecten. Het programma omvat in dat geval zowel een uitgebalanceerd pakket van maatregelen teneinde het mogelijk maken de doelstellingen te halen (de zogenaamde programmatische aanpak). In dit geval is er strikte voortgangscontrole op het programma om het bereiken van de normen zeker te stellen.
Hoofdstuk 4betreft Algemene regels voor activiteiten in de leefomgeving. Het merendeel van de activiteiten in de leefomgeving betreft initiatieven van burgers en bedrijven. Het in goede banen leiden van activiteiten gebeurt waar mogelijk met algemene regels. Elke gemeente, waterschap en provincie moet één gebiedsdekkende verordening voor de leefomgeving maken, waarin worden opgenomen alle geldende ruimtelijke regels, locatiegebonden regels en vergunningvereisten.
Hoofdstuk 5bevat regels inzake de omgevingsvergunningen en het projectbesluit. De omgevingsvergunning is een generiek instrument voor de toetsing van bepaalde activiteiten met effecten op de leefomgeving. Het model van de Wabo is hierbij uitgangspunt.2 De toetsing blijft beperkt tot aspecten die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor de vergunning is ingesteld. Er is dus in beginsel een sectorale en geen integrale toetsing, teneinde de toetsing van eenvoudige gevallen eenvoudig te houden. Het projectbesluit biedt een uniforme procedure voor gebiedsontwikkelingen en andere fysieke ontwikkelingen die voortvloeien uit de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan of andere publieke taken. Het projectbesluit kent een voorbereidingsprocedure die aansluit bij de adviezen van de Commissie Elverding.
Het projectbesluit vervangt het inpassingsplan uit de Wro en de coördinatieregelingen van de Wro, de Tracéwet, de Waterwet en de Ontgrondingenwet. Met het projectbesluit kan worden afgeweken van de omgevingsverordening. Het projectbesluit kan in de plaats treden van bepaalde, in dat besluit benoemde, omgevingsvergunningen. De toetsing aan de belangen die de omgevingsvergunning beoogt te beschermen vindt dan plaats in het kader van de vaststelling van het projectbesluit.
Hoofdstuk 6 Voorbereiding, procedures en rechtsbescherming bevat procedurele bepalingen voor de voorbereiding van plannen, omgevingsverordeningen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen. Dit hoofdstuk bevat ook de specifieke bepalingen rond rechtsbescherming.
Hoofdstuk 7 Milieueffectrapportage dient ter implementatie van de m.e.r.-richtlijn3 en de richtlijn strategische milieubeoordeling.4 Beide richtlijnen bepalen in welke gevallen een milieueffectrapportage (m.e.r.) respectievelijk plan-m.e.r. is vereist.
De hoofdstukken 8 tot en met 10zijn gereserveerd voor niet-gebiedsgerichte onderwerpen uit met name de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 11 Gedoogplichten regelt gedoogplichten die noodzakelijk kunnen zijn voor het realiseren van werken van algemeen belang.
Hoofdstuk 12 Calamiteiten, ongewone voorvallen en sanering bundelt de regelingen voor buitengewone omstandigheden zoals die nu voorkomen in diverse wetten. Het betreft bijvoorbeeld bijzondere bevoegdheden in geval van (dreigende) calamiteiten. Daarnaast worden in dit hoofdstuk bijzondere bevoegdheden en verplichtingen rond sanering onderbracht (zoals (water)bodemsanering en wrakkenopruiming).
In hoofdstuk 13 Financiële bepalingen zullen de volgende soorten bepalingen uit bestaande omgevingswetten worden overgenomen en waar mogelijk geïntegreerd: financiële bepalingen met betrekking tot vergunningen, schaderegelingen, heffingen, kostenverhaal, leges en interbestuurlijke financiële regelingen. Op een later moment worden ook andere instrumenten bezien zoals tegemoetkomingen, fondsen, statiegeld, retourpremies en verzekeringen.
Hoofdstuk 14 Bestuursrechtelijke handhaving betekent een verdere integratie in de uitvoering: vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het gaat daarbij om een intensivering van de afstemming van werkzaamheden, samenwerking en informatie-uitwisseling tussen overheden, al dan niet in het kader van de regionale uitvoeringsdiensten, en een uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit in alle domeinen die onder de wet worden gebracht. De Omgevingswet biedt hiervoor de nodige wettelijke ankers.