Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/5.2.3
5.2.3 Het ontstaan van de groep
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS598443:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor Engeland zie Hodges 2001, p. 83 en noot 1. In 2.2 en 3.7.1 ben ik kort ingegaan op het vroegere Engelse stelsel van gefinancierde rechtshulp dat `demand induced suply' indiceerde, hetgeen excessen aan de zijde van belangenbehartigers mogelijk maakte. De rol van de media en het gebruik dat van de media wordt gemaakt, zijn daarbij echter onderbelicht gebleven. De indruk bestaat dat de situatie in Engeland thans anders is.
Voor Amerika zie onder andere Tzankova 2005, p. 84, noot 294 met verwijzingen naar Fisch 1997, p. 169, Coffee 1986 en Macey & Miller 1993 en 4.7.2.
Hodges 2001, p. 83-93 gaat uitgebreid in op de (negatieve) Engelse ervaringen met advertentieuitingen en gebruikmaking van de media voor cliënt wervingsacties. Veelzeggend is het bericht in de Sunday Times van 13 augustus 2006 over Amerikaanse letselschade-advocaten die $ 100 hebben geboden voor elke klik op hun 'link' na het invoeren van de zoekterm `mesothelioom'. Als de zoekterm mesothelioom in Google wordt ingetoetst worden zij geplaatst in de lijst van gesponsorde links. Dit bedrag is het hoogst geboden bedrag tot nu toe, volgens marktonderzoekbureau Jupiter Research. De omvang van Intemet-adverteren neemt volgens dit bureau de laatste tijd sterk toe. En 'gesponsorde links' bij de resultaten van een zoekopdracht blijken de meest populaire vorm van intemet-advertenties te zijn.
Hodges 2001, p. 84, 87 (waar hij de Legal Aid Board, een belangrijke financier van multi-party acties in die tijd, citeert).
Task Force-rapport, p. 11-19, 37.
Hoewel het onduidelijk is hoe dit onderzoek opgezet en uitgevoerd is, het bevat in ieder geval cijfers die inderdaad aan de aanwezigheid van een claimcultuur op zijn minst doen twijfelen. De cijfers betreffen het aantal 'accident claims' in de jaren 2000-2004, de hoogte van de toegewezen schadevergoedingen in de County Courts in 2002 en de kosten van het aansprakelijkheidsrecht in Engeland in het jaar 2000 als een percentage van het GDP. Het aantal accident claims dat in 2000-2003 is ingesteld, blijft stabiel en in 2004 is zelfs sprake van een aanzienlijke daling: Task Force-rapport, p. 12.55% van de onderzochte toegewezen schadevergoedingen is onder £ 3000: Task Force-rapport, p. 14. Wat het percentage van het GDP betreft, ter vergelijking: voor Engeland bedraagt het percentage 0,6 %, voor de US 1,9%, terwijl het voor België en Duitsland bijvoorbeeld 1,1% respectievelijk 1,3% bedraagt: Task Force-rapport, p. 15.
Ik doel op het onderzoek van Eshuis 2003.
In Tzankova 2005, p. 60-9 behandelde ik reeds uitgebreid het onderwerp claimcultuur en juridisering en geef ik gemotiveerd aan waarom en onder welke omstandigheden ik ze 'positief' waardeer. Claimcultuur is misbruikte toegang tot het recht.
Task Force-rapport, p. 20-4.
Hodges 2001, p. 84: 'The Law Society prefers not to regulate explicitly in this area. It will be obvious that major financial gains stand to be made by those lawyers who carry out generic or co-ordination work on cases which they do not fund personally. Early publicity may clearly assist in achieving a central position on a steering committee or an all-work Community Legal Service contract or a large number of clients.' Volledigheidshalve wijs ik erop dat er wel een aantal initiatieven in die richting is geweest, onder andere van de barristers, de Law Society' s 1995 Working Party en van de Association of Personal Injury Lawyers. Ze worden besproken door Hodges 2001, p. 85-93. Voor Amerika zie de Model Rules of Professional Conduct (vooral Rules 7.1-7.5) van de American Bar Association: <http://www.abanet.org/cpr/mrpc/mrpc_toc.html>.
Rule 19.11 (3) (c), Hodges 2001, p. 93.
Hodges 2001, p. 93.
Govemment Response 2004, p. 3.
`Both to tackle practices that help spread the misperceptions and false expectations; and to improve the effectiveness and efficiency of the system for those who have a genuine claim to compensation.' : Govemment Response 2004, p. 1-2.
Zie Rule 23 (c) (2) en MCL 2004, 286-7.
White 2004, p. 184-6, 191 en Hensler e.a. 1985, p. xxv-xxvi, wijzen erop dat dankzij het vele voorbereidende werk en onderzoek van plaintiff law firms de asbest litigation op gang is kunnen komen die uiteindelijk datgene bereikt heeft dat de overheid niet gelukt was: het weren van asbest van de markt.
Illustratief is in dat verband het persbericht vanwege de producent van het anticonceptiemiddel `Norplant' naar aanleiding van het verwijderen van het middel uit de markt: 'In effect, a major therapeutic advance, fully approved by the UK Medicines Control Agency, and widely welcomed by doctors and users has been killed off for non-medical reasons by an `unholy alliance' of bureaucrats, lawyers and the media.': persbericht Hoechst Marion Roussel 30 april 1999.
Die bespreking vindt men bij Van Harinzma 2006. Hij behandelt de problemen van toegang tot het recht in perszaken (dus als een persoon of instelling door uitlatingen in de media reputatieschade lijdt) meer specifiek en doet aanbevelingen over hoe deze toegang verbeterd kan worden.
Voor een aanvulling op dit perspectief zie de beschouwingen van Van Harinzma 2006, p. 45-79 over zelfregulering in de media.
'Strijkstok decimeert rendement op beleggingen', kopte de Volkskrant van 18 oktober 2006, waarin het bericht over te dure beleggingsverzekeringen werd aangekondigd.
Een bestudering van de inhoudelijke veranderingen die in de Verordening op de publiciteit van de Nederlandse Orde van Advocaten door de jaren heen hebben plaatsgehad, laten een tendens zien tot een ruimere en meer soepele omgang met adverteren. Waar dat vroeger als een teken van 'slechte smaak' werd gezien, lijkt het tegenwoordig steeds gewoner en acceptabeler te worden gevonden om met juridische diensten te adverteren. De Verordening is te raadplegen op <http://www.advocatenorde.nl/wetenregelgeving/vademecum.asp>.
Reeds voorgesteld in Uitgebalanceerd 2006, p. 121-2.
Een globaal uitgewerkt plan voor de oprichting van een dergelijk platform (
Uit de buitenlandse ervaringen blijkt dat de 'processuele groep' massaschadelijders op twee manieren kan ontstaan. Door registratie of inschrijving (opt in) of door een inkrimping van een van oorsprong groot veronderstelde en nauwkeurig omschreven groep (opt out). Voordat ik in de volgende paragraaf hier dieper op in ga, wil ik afzonderlijk stilstaan bij de vraag hoe een ongeïdentificeerde groep schadelijders een gedefinieerde procesgroep wordt, ofwel hoe een massaschadegeval überhaupt leven' komt.
In Engeland lijkt dat heel georganiseerd te gaan: een massaschadegeval doet zich voor en trekt daardoor de publieke aandacht. De schadelijders gaan op een zeker ogenblik op zoek naar een belangenbehartiger en zowel binnen de balie, als binnen de gefinancierde rechtsbijstand (3.4.1 en 3.7.1) bestaan structuren die massaliteit onderscheiden en kanaliseren.
Uit het rechtsvergelijkende onderzoek blijkt echter dat veel, zo niet de meeste, multi-party acties ‘lawyer led'1 of ‘lawyer driven'2 zijn. Daarmee wordt bedoeld dat dergelijke acties door een (pro)actief, zo men wil agressief, wervingsgedrag tot stand komen, dat zich onder meer uit in advertentiecampagnes van belangenbehartigers,3 waarin actief cliënten worden geworven naar aanleiding van een concreet geval. De Amerikaanse 'ambulance chasers' zijn wereldberucht. De internetsites van veel advocatenkantoren bevatten een speciale 'class actions`-afdeling. Class action litigation is in Amerika ook, zo niet primair, een kwestie van marketing geworden.
De Engelse ervaringen uit het pre-Woolf tijdperk wijzen uit dat veel multi-party acties die via advertentiecampagnes en de media geconstrueerd werden 'zwak' waren en uiteindelijk mislukten.4 Zij creëerden wel de indruk van het bestaan van een claimcultuur. In een onderzoek naar de ontwikkeling van claimcultuur in Engeland wordt gesteld dat daarvan geen sprake is5 en dat vooral de manier waarop de media verslag doen van spraakmakende binnen- en buitenlandse massaschadezaken en het agressieve acquisitieoptreden van claimafwikkelingsbureaus tot misleiding van het publiek leiden.6 Ook onderzoekers naar de aanwezigheid van een claimcultuur in Nederland kwamen overigens tot de conclusie dat daarvan geen sprake is,7 terwijl dat in de beleving van velen anders ligt.8
Gelet op deze ervaringen lijkt normering van de publiciteit rondom massaschade en de daaraan gerelateerde groepsvorming niet alleen wenselijk, maar zelfs noodzakelijk om misbruik en excessen te voorkomen. De Engelse onderzoekers stellen onder andere zelfreguleringsmaatregelen van de brancheorganisaties voor en indien deze niet adequaat of anderszins ontoereikend zijn, normering van overheidswege omtrent adviseren en adverteren.9 Opvallend is dat de kritiek van de onderzoekers zich voornamelijk richt op het optreden van schaderegelingbureaus (claims management companies). In beide landen zijn de beroepsorganisaties van advocaten niet bereid of in staat gebleken vergaande en gedetailleerde voorschriften of beperkingen in de gedragsregels over het onderwerp adverteren ten aanzien van multi-party acties op te nemen.10 Voorzover er sprake is van normering geschiedt die overwegend van overheidswege. De Engelse regeling van Part 19.111 bepaalt bijvoorbeeld dat de rechter die een GLO-order uitvaardigt specifieke aanwijzingen kan geven over de publicatie daarvan.11 Men neemt aan dat de bevoegdheid van de rechter ruim genoeg is om in een vroeg stadium toezicht te houden op en controle uit te oefenen over de publiciteit in en met betrekking tot multi-party acties12 en dus ook rond de groepsvorming. De regering is voorts voornemens om een begeleidingsgroep op te richten die de voorstellen van de onderzoekers gaat implementeren.13 Vooral agressief opererende claimafhandelingsbureaus lijken daarbij te zullen worden aangepakt, zodat in de media geen valse verwachtingen worden gewekt, terwijl rechtzoekenden die over een legitieme claim beschikken voldoende mogelijkheden dienen te krijgen om die geldend te maken.14 Laatstgenoemde groep heeft er ook baat bij dat de media-aandacht niet uit de hand loopt, omdat dat de indruk van een claimcultuur in de hand werkt. Een belangrijk en niet te onderschatten gevaarlijk nadeel van de mediabelangstelling is dat daardoor de aandacht afgeleid wordt van meer wezenlijke vragen naar de verbetering van de toegang tot het recht voor rechtzoekenden met reële aanspraken. In het ergste geval kan de vrees voor claimcultuur tot vergaande belemmeringen en beperkingen van die toegang leiden. Daarnaast kunnen in de media gewekte valse verwachtingen bij het grote publiek het vertrouwen in het rechtssysteem aantasten. Dit bezwaar krijgt een extra openbare orde-dimensie, als het om gezondheidsklachten of -risico's gaat.
De controle op media-uitingen die in Amerika van overheidswege op class actions wordt uitgeoefend, is van een andere aard en heeft vooral betrekking op de toepassing van het kennisgevingsvoorschrift (4.5.4) ten aanzien van de inhoud van een bereikte collectieve schikking en de mogelijkheid van opt out.15 De nadruk ligt daar op aspecten als klantvriendelijkheid, heldere bewoordingen en een vormgeving die de aandacht trekt.
Door al het bovenstaande kan de indruk ontstaan dat de aandacht hier meer gericht is op het voorkomen van uitwassen dan op de initiële groepsvorming. Die indruk is juist. Uit de buitenlandse ervaringen blijkt dat die vroege fase zeer misbruikgevoelig is. Initiatieven die de groepsvorming faciliteren dienen steeds gecombineerd te worden met maatregelen die misbruik tegengaan.
Nederland
Vooropgesteld moet worden dat het bestaan van specifieke publiek- of privaatrechtelijke financieringsarrangementen voor massaschade de initiële groepsvorming kan ondersteunen. Bureaus voor Rechtshulp en rechtsbij standverzekeraars zijn dan eerder bedacht op meldingen waarvan de aard op een massaal karakter duidt. Ze kunnen passende coordinerende maatregelen treffen. Afgezien van het feit dat dergelijke arrangementen aanwezig moeten zijn (in 5.2.9 ga ik hier op in), zijn niet alle gevallen van massaschade meteen als zodanig herkenbaar (denk aan Dexia). Het is daarom naar mijn idee niet eenvoudig om de actieve rol van belangenbehartigers bij het construeren van multi-party acties straffeloos af te schaffen, dat wil zeggen zonder de mogelijkheden van collectieve acties voor de verbetering van de toegang tot het recht voor rechtzoekenden onaanvaardbaar te beperken. Tegelijkertijd is het lastig om die rol in termen van positief of negatief te evalueren. Het is eerder een kwestie van noodzaak. Men dient zich te realiseren dat met het starten van collectieve acties hoge informatie- en coördinatiekosten gemoeid zijn en dat noch een gezonde (pro)actieve houding van belangenbehartigers,16 noch de media daarbij steeds helemaal kunnen worden gemist. Zeker bij strooischade welk onderwerp hier buiten beschouwing blijft, kan die rol van cruciaal belang zijn. De hamvraag is echter hoe de media hier in te passen, zonder dat bedrijven en organisaties die blijvend of tijdelijk in de verdachtenbank belanden, beschadigd raken en ongerechtvaardigd reputatieverlies leiden.17 Het gaat het bestek van dit onderzoek te buiten om wenselijke verbeteringen in de toegang tot het recht in perszaken te bespreken.18 Ik beperk mij tot de opmerking dat naar mijn idee niet volstaan kan worden met het uitspreken van het vertrouwen dat journalistieke gedragscodes en -regels steeds de nodige objectiviteit en onafhankelijkheid in de berichtgeving rond massaschade kunnen zekerstellen.19
Er dient naar mijn mening een onderscheid te worden gemaakt tussen twee belangrijke momenten waarop de media in het kader van massaschade een rol kunnen spelen: (1) bij het signaleren van een mogelijk geval van massaschade en (2) nadat een geval van massaschade gekanaliseerd is. Met dat laatste bedoel ik dat de meeste schadelijders hun weg naar belangenbehartigers hebben gevonden en er gesproken kan worden van een massaschadegeval.
Ik denk dat de rol van de media in het eerste geval, bij het opsporen van klachten en reële problemen met producten en diensten met een massaal karakter, nuttig en onmisbaar is.20 Belangenorganisaties en belangenbehartigers kunnen een nader feitelijk en juridisch onderzoek naar die klachten of problemen instellen dat uiteindelijk tot een collectieve actie kan leiden. Wat naar mijn idee niet wenselijk is, is de inzet van de media in die (opvolgende) fase, omdat dit gemakkelijk tot stemmingmakerij zou kunnen leiden. Dit gevaar rechtvaardigt mijns inziens dat het toezicht en de controle op uitlatingen in de media door belangenbehartigers streng(er) mag zijn, zoals men ook in Engeland voorstaat. Er is ook een grijs gebied tussen het moment dat een mogelijk massaschadegeval gesignaleerd wordt en het moment dat dat reeds gekanaliseerd is, en dat is het lastigste. Daarom is een overkoepelende strategie en benadering van de problematiek van groepsvorming nodig die uit een combinatie van maatregelen bestaat.
Uit de buitenlandse ervaringen blijkt dat niet volledig vertrouwd kan worden op de zelfregulerende mogelijkheden van beroepsorganisaties.21 Het zou echter te vergaan om te stellen dat zij daarin geen enkele nuttige rol kunnen spelen. Ik denk dat uit een meer gespecialiseerde en geconcentreerde benadering van het vraagstuk van belangenbehartiging een positieve zelfregulerende werking zou kunnen uitgaan, waardoor het probleem minder dringend wordt. Indien binnen een beroepsgroep zich specialisatietendensen voordoen, is die beroepsgroep er veel aan gelegen om haar onderscheidende vermogen te bewaken. Kwaliteitsnormen en specifieke beroepsregels dragen daaraan bij en zijn het gevolg van die tendensen. (5.2.2, 5.2.8 en 5.2.9).
Verder heb ik reeds de mogelijkheid genoemd die in Engeland voor de rechter bestaat om aanwijzingen te geven over publiciteitsuitingen door partijen, nadat een massaschadegeval is gekanaliseerd. Ook in de voorfase zouden echter al maatregelen kunnen worden opengesteld die meer in het algemeen misbruik van collectieve acties en eventuele excessen bij de groepsvorming zouden kunnen voorkomen, bijvoorbeeld in het kader van preprocessuele comparities22 of regiezittingen. Daarover in 5.2.6 en 5.2.7 meer. Wel wil ik reeds nu de eventuele rol van de preprocessuele comparitie bij het kanaliseren van massaschade toelichten. Het zullen namelijk in de regel de verweerders zijn die als eerste indicaties krijgen dat ze mogelijk te maken hebben met een kwestie met een massaal karakter. Zij zullen als de meest gerede partij een verzoek kunnen doen bij een exclusief bevoegd gerecht voor het houden van een preprocessuele comparitie ten einde alle zaken naar één gerecht te dirigeren. Ook een belangenorganisatie aan de kant van de schadelijders of een andere belanghebbende partij zou daartoe kunnen besluiten.
Een maatregel die naar mijn idee in dit rijtje past, betreft de oprichting van een `collectieve acties platform' waar verschillende partijen uit het 'collectieve acties' - spectrum onder een onafhankelijke vlag zitting hebben.23 Een van de doelen van het platform zou zijn een objectieve en onafhankelijke informatievoorziening ten aanzien van concrete voorvallen in de media waarover onjuist of onvolledig is bericht. Het zou ook een forum kunnen zijn waar meer structurele problemen bij de massa-schade-afwikkeling aangekaart en eventueel tot oplossing gebracht kunnen worden.