Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.1.2.b:6.2.1.2.b Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap ab-houder (leven en overlijden)
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.1.2.b
6.2.1.2.b Doorschuiving bij overgang krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling huwelijksgemeenschap ab-houder (leven en overlijden)
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS343093:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit was vóór 1 januari 2010 niet anders. Ook toen gold art. 4.17 Wet IB 2001 zowel voor een overgang krachtens erfrecht als voor een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht. Ook de verdeling van een nalatenschap en de verdeling van een huwelijksgemeenschap werden bestreken door art. 4.17 Wet IB 2001.
Dit geldt nu nog wel indien de huwelijksgemeenschap door overlijden wordt ontbonden. Alsdan is art. 4.17a Wet IB 2001 van toepassing.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 4.17 Wet IB 2001 wordt een overgang van ab-aandelen als gevolg van het aangaan van een huwelijk, een wijziging van de huwelijksgemeenschap tijdens huwelijk en de verdeling van de huwelijksgemeenschap bij het einde van het huwelijk niet als vervreemding aangemerkt. In paragraaf 4.2.4.2.b heb ik betoogd dat deze faciliteit legitiem is indien op grond van art. 4.16, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001 moet worden afgerekend, terwijl de bestuursbevoegdheid ten aanzien van de aandelen niet wijzigt. Afrekening is allereerst aan de orde indien de aandelen als gevolg van een huwelijk tot een gemeenschap gaan behoren. Afrekening moet worden voorkomen omdat de feitelijke positie van de bestuursbevoegde ab-houder niet wijzigt. Dit geldt ook indien als gevolg van een echtscheiding deze aandelen weer worden toebedeeld aan de bestuursbevoegde echtgenoot. Een doorschuiffaciliteit moet worden afgewezen indien aan een belastingplichtige meer aandelen worden toebedeeld dan het aantal waartoe hij bestuursbevoegd is. Het voorgaande geldt ook indien wijzigingen worden aangebracht aan de huwelijksgemeenschap bij leven.
Het huidige art. 4.17 Wet IB 2001 geldt niet als de huwelijksgemeenschap door overlijden wordt ontbonden. Deze situatie wordt bestreken door art. 4.17a Wet IB 2001. Zoals in paragraaf 6.2.1.1 is aangegeven, wil ik doorschuiffaciliteiten alleen behouden voor situaties die in deze en de vorige (sub)paragraaf zijn beschreven. Dit betekent dat onder mijn voorstel ook art. 4.17a Wet IB 2001 komt te vervallen. De doorschuiffaciliteit die betrekking heeft op de ab-claim als gevolg van het overlijden van een in gemeenschap van goederen gehuwde ab-houder moet worden opgenomen in art. 4.17 Wet IB 2001.1 Deze doorschuiffaciliteit moet worden beperkt tot die situaties waarbij de ab-aandelen als gevolg van het overlijden van de niet-bestuursbevoegde echtgenoot toekomen aan de bestuursbevoegde echtgenoot. Indien de bestuursbevoegde echtgenoot komt te overlijden, moet over diens aandeel op grond van art. 4.16, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001 worden afgerekend. De niet-bestuursbevoegde echtgenoot is dan nog steeds ab-houder. Het is afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap worden verdeeld wat de gevolgen zijn voor de belastingheffing. Indien bijvoorbeeld de aandelen van de niet-bestuursbevoegde echtgenoot bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap worden toebedeeld aan de nalatenschap en de aandelen worden vervolgens toebedeeld aan het kind, is de doorschuifregeling niet van toepassing.
Ik pleit ervoor de toepassing van de doorschuiffaciliteit niet te beperken tot het ondernemingsvermogen, omdat de door mij voorgestelde doorschuifbepaling alleen ziet op situaties waarbij er niets verandert aan de positie van de bestuursbevoegde ab-houder.2 Indien er niets wijzigt aan de positie van de bestuursbevoegde ab-houder is het ook niet redelijk dat bij overlijden van de echtgenoot zou moeten worden afgerekend over de waarde van de aandelen toerekenbaar aan het beleggingsvermogen.
Tot slot zou de termijn waarbinnen de verdeling van de huwelijksgemeenschap moet plaatsvinden moeten worden verruimd. Dit moet dan ook gelden voor de verdeling van de nalatenschap. De termijn van twee jaren acht ik voor de verdeling te kort (zie paragraaf 4.2.4.2.d).