Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.9.2
7.9.2 Administratievoorwaarden als algemene voorwaarden
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232885:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Althans ter zake van hetzelfde (soort) gecertificeerde vermogen. Het is uiteraard denkbaar dat één STAK optreedt als administratiekantoor ter zake van meerdere categorieën gecertificeerd vermogen en dat voor iedere categorie een andere set administratievoorwaarden gehanteerd wordt.
Zie W.H.M. Reehuis en E.E. Slob, Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering boeken 3, 5 en 6; boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Kluwer Deventer 1990, pagina’s 1546 – 1547 en 1567, alsmede Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, 2018/464 – 465. Zie voorts Jac. Hijma, Algemene voorwaarden, Kluwer Deventer 2010, pagina 16 – 18, die meent dat zo men van een minimumaantal zou willen spreken, dit het kleinst mogelijke meervoud van twee zou moeten zijn. De omstandigheid dat over een beding overeenstemming bestaat tussen partijen, betekent overigens niet dat geen sprake kan zijn van een algemene voorwaarden (Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 6, pagina 1520).
De omstandigheid dat de administratievoorwaarden gebaseerd zijn op een model van een juridische dienstverlener maakt hen niet automatisch tot algemene voorwaarden, zie Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 6, pagina 1567.
Vergelijk tevens, voor aandelen in een besloten vennootschap met een klein aandeelhoudersbestand en een eigen administratiekantoor, Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/664. In vergelijkbare zin, in relatie tot de administratievoorwaarden van een familievennootschap, D.F.M.M. Zaman, Certificering en modernisering van het ondernemings- en vennootschapsrecht, TvOB 2004/5, paragraaf 5.
In vergelijkbare zin Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013, nr. 197, voetnoot 4.
Een principieel punt is dat men zich dan kan afvragen in hoeverre de eerste certificaathouder, die beperkende voorwaarden overeenkomt met oog op zijn erfgenamen en met de bedoeling om hen te binden c.q. te beperken, acceptabel handelt, maar gezien het Drukker-arrest (zie paragraaf 7.14.3) is van maatschappelijke onaanvaardbaarheid in beginsel geen sprake.
Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 6, pagina 1521.
Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 6, pagina 1527.
Parlementaire geschiedenis BW Inv. boek 6, pagina 1566.
HR 21 februari 2003, NJ 2004/567. Zie voorts HR 19 september 1997, NJ 1998/6.
Anders P.H.N. Quist, Het omkatten van certificaten (I), WPNR 2010/6858, pagina 728, alsmede in navolging daarvan Garcia Nelen en Schwarz 2016, pagina 36 en ten slotte Van Steensel 2015, pagina 413. Zie voorts Eisma, die van mening is dat geen sprake is van algemene voorwaarden, op grond van de omstandigheid dat noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever dit beoogd heeft (Eisma, preadvies 1990, pagina 82).
Vergelijk tevens Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 155. De verplichting voor de STAK om certificaten uit te reiken lijkt mij in zoverre van minder essentieel belang, dat de genoemde vorderingsrechten ook zonder een formeel certificaat kunnen bestaan.
Zie de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, alsmede Hijma 2010, pagina 19, en M.B.M. Loos, Algemene Voorwaarden, Boom juridische uitgevers 2018 Den Haag, paragraaf 1.2.3 (punt 12).
Ook in economisch termen, vergelijk paragraaf 7.14.4.
Beursgenoteerde certificaten kunnen ook niet-royeerbaar zijn, vergelijk het Algemeen Reglement Euronext Amsterdam Effectenmarkt (versie 2 januari 2017), bijvoorbeeld artikelen 21 en 22. De administratievoorwaarden bij beursgenoteerde certificaten zullen gezien het aantal certificaathouders algemene voorwaarden zijn, tenzij zich de situatie voordoet dat alle aandelen in één keer gecertificeerd zijn en men zou kunnen betogen dat sprake is van bedingen voor éénmalig gebruik, zij het dat de certificaten vervolgens terechtgekomen zijn bij een groot aantal personen. Indien sprake is van algemene voorwaarden lijkt het beding van niet-royeerbaarheid mij in dat geval echter niet onredelijk bezwarend, omdat (i) de certificaten gemakkelijk te verhandelen zijn, (ii) de certificaathouder gezien het bepaalde in artikel 2:118a BW in beginsel het stemrecht op het onderliggende aandeel kan verkrijgen en (iii) verwerving van het onderliggende aandeel door de certificaathouder niet mogelijk zal zijn. De positie van de certificaathouder wordt dan niet in significante mate beperkt door het beding van niet-royeerbaarheid.
In principe is de beheersovereenkomst van iedere certificaathouder1 met de STAK gelijk, aangezien deze in beginsel beheerst worden door dezelfde administratievoorwaarden (en eventueel statuten van de STAK). Dat kan aanleiding geven tot de vraag of de administratievoorwaarden kunnen kwalificeren als algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 BW. Deze bepaling definieert algemene voorwaarden als een of meer bedingen die zijn opgesteld ten einde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties weergeven. De uitzondering voor kernbedingen geldt bovendien slechts voor zover de desbetreffende bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.
De relevantie van de kwalificatie van de administratievoorwaarden als algemene voorwaarden is gelegen in de mogelijke vernietigbaarheid hiervan. Artikel 6:233 BW bepaalt in dit verband dat een in beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien:
het beding, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij (in casu de certificaathouder); of
de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen; dit laatste zal zich bij certificering mijns inziens niet voordoen, zo al sprake is van algemene voorwaarden.
Het criterium “onredelijk bezwarend’ is verder uitgewerkt in de artikelen 6:236 en 6:237 BW, welke gelden voor overeenkomsten tussen een gebruiker van algemene voorwaarden en een wederpartij die een niet in uitoefening van beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon is. Bij certificering in familiale sfeer zouden deze bepalingen dus toepassing kunnen vinden, indien de administratievoorwaarden als algemene voorwaarden zouden kwalificeren. De genoemde bepalingen regelen een “zwarte” lijst, van bedingen die per definitie als onredelijk bezwarend worden aangemerkt, en een “grijze” lijst, van bedingen die vermoed worden onredelijk bezwarend te zijn, maar waarbij de gebruiker van de algemene voorwaarden de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren. De bedingen op deze lijsten zien veelal op voorwaarden die niet in de administratievoorwaarden zullen staan, maar gewezen zij op artikel 6:237 sub l en o BW, met betrekking tot bedingen die de wederpartij binden aan een opzegtermijn die langer is dan de opzegtermijn van de gebruiker respectievelijk langer dan een maand. Dit betekent dat een beding dat bepaalt dat certificaten niet-royeerbaar zijn, met andere woorden dat de overeenkomst niet opzegbaar is door de certificaathouder, vermoed zou worden onredelijk bezwarend te zijn. Het is dan aan de STAK om aan te tonen dat geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding.
Het voorgaande impliceert dat indien de administratievoorwaarden als algemene voorwaarden zouden kwalificeren, bij de bestaanbaarheid van niet-royeerbare (en wellicht ook beperkt royeerbare) certificaten ernstige vraagtekens moeten worden gezet. Om de verschillende mogelijke administratievoorwaarden te toetsen aan eventuele vernietigbaarheid op grond van de regeling inzake algemene voorwaarden gaat het bestek van dit onderzoek te buiten. Gezien het belang van de bepaling inzake niet- (of beperkte) royeerbaarheid voor het kunnen creëren van een duurzame scheiding van zeggenschap en economisch belang, zal ik echter wel nader op deze bepaling ingaan. Allereerst is dan de vraag of sprake is van bedingen die zijn opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, als bedoeld in artikel 6:231 sub a BW (het “bestemmingscriterium”). Blijkens de parlementaire geschiedenis kan daarvan sprake zijn in de volgende, niet limitatief bedoelde, situaties: (i) (model)voorwaarden opgesteld door een organisatie van ondernemers ten behoeve van haar leden, (ii) de gebruiker kondigt aan, hetgeen ruim mag worden opgevat, dat hij bepaalde bedingen zal gaan gebruiken in zijn overeenkomsten, bijvoorbeeld door deze te deponeren bij een Kamer van Koophandel of (iii) het gaat om bedingen die “meermalen in overeenkomsten zijn gebruikt”, in welk verband werd gedacht aan vijf maal, maar welk getal geen minimum is. Het is voor wat betreft het laatste geval mogelijk dat een beding nog niet meermaals in een overeenkomst is gebruikt, maar toch een algemene voorwaarde vormt, omdat het met oog op een dergelijk gebruik is opgesteld.2
Van dat laatste zou bij certificering sprake kunnen zijn, afhankelijk van de omstandigheden waaronder deze tot stand komt. Als bijvoorbeeld sprake is van beursgenoteerde certificaten, is duidelijk dat de administratievoorwaarden bestemd zijn voor gebruik in beheersovereenkomsten met een (zeer) groot aantal certificaathouders. Dan is in beginsel inderdaad sprake van algemene voorwaarden, behoudens de hierna te bespreken uitzondering voor kernbedingen. De kwalificatie is naar mijn mening echter anders bij certificering in de familiesfeer. Dan is sprake van een eigen STAK, die doorgaans slechts voor deze ene certificering goederen in beheer neemt. Er is bovendien slechts sprake van één certificaathouder, de insteller, of eventueel enkele als de certificering in een iets breder familieverband plaatsvindt. De administratievoorwaarden zijn daarmee ook bedoeld voor gebruik in één of maximaal enkele overeenkomsten. Dat sluit op zich de kwalificatie als algemene voorwaarden nog niet uit, maar in casu is geen sprake van voorwaarden die eenzijdig door de STAK aan de certificaathouder worden opgelegd, maar van afspraken die in onderling overleg c.q. onderhandeling tot stand komen, oftewel voorwaarden van de partijen gezamenlijk en niet uitgaand van het administratiekantoor.3 De beheersovereenkomst is een op die specifieke situatie toegesneden overeenkomst, zelfs indien de administratievoorwaarden van toepassing zijn op meerdere (doch in beginsel in eerste instantie slechts enkele) personen. Van een verschil in machtspositie, waar de regeling met betrekking tot algemene voorwaarden op gericht is, is bovendien geen sprake; vaak zal zich zelfs de situatie voordoen dat de STAK beheerst wordt door de insteller, zodat die vanuit een zeker perspectief met zichzelf contracteert. Gezien de omstandigheden waaronder een familiale certificering tot stand komt, kan mijns inziens niet gezegd worden dat sprake is van een beding dat bestemd is voor gebruik in een aantal overeenkomsten, zeker indien er slechts één initiële certificaathouder is.4
Het moment dat de certificering door de insteller in het leven geroepen wordt, is het enige moment dat beoordeeld dient te worden of sprake is van algemene voorwaarden. De certificaten zullen op een later moment verkregen worden door één of meer rechtsopvolgers, bijvoorbeeld krachtens erfrecht of schenking, maar dit brengt niet met zich dat de kwalificatie van de administratievoorwaarden een wijziging ondergaat: de reeds bestaande rechtsverhouding wijzigt niet van aard door de overdracht of overgang onder algemene titel daarvan, noch brengt dit verandering in de omstandigheid dat de administratievoorwaarden niet bestemd zijn voor gebruik in meerdere overeenkomsten.5 De omstandigheid dat de certificaten van één certificaathouder verdeeld worden over meerdere opvolgende certificaathouders maakt dat niet anders.6
Indien men echter toch zou concluderen dat de administratievoorwaarden bedoeld zijn voor gebruik in meerdere overeenkomsten, zodat in beginsel sprake is van algemene voorwaarden, kan de uitzondering voor kernbedingen nog van toepassing zijn. De parlementaire geschiedenis omschrijft kernbedingen als volgt:
Het begrip “bedingen die de kern van de prestaties aangeven” moet zo beperkt mogelijk worden opgevat. Als vuistregel kan worden gesteld dat de hier uitgezonderde “kernbedingen” veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke aan voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen (artikel 6.5.2.10), niet tot stand komt. […]. Dit gaat evenwel niet steeds op, in het bijzonder niet voor wat de prijs betreft; […]. Op dit punt is derhalve het gebied der kernbedingen ruimer dan dat der essentialia in vorenbedoelde zin. Onder kernbedingen vallen niet de bedingen die de modaliteiten, zelfs de belangrijkste, van de prestaties (nader) bepalen; men denke aan clausules inzake prijsverhoging, prijsbepaling door een derde, levertijd, plaats en tijdstip van prestatie, recht tot vervroegde aflossing, aansprakelijkheid(suitsluiting) en overmacht, annulering, e.d. De lijsten van de artikelen 3 en 4 bieden hier verdere oriëntatie.7
en
Voor de vaststelling van wat daaronder [onder kernbedingen, AEdL] moet worden verstaan is niet bepalend of het beding in kwestie een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt, maar of het van zo wezenlijke betekenis is dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand gekomen zou zijn of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn.8
Op een later punt in de parlementaire geschiedenis wordt ten slotte nog opgemerkt dat partijen niet zelf bedingen in hun overeenkomst als kernbeding kunnen aanmerken, alsmede dat bedingen als bedoeld in (thans) artikelen 6:236 en 6:237 BW geen kernbedingen kunnen zijn.9
De Hoge Raad heeft in navolging van de parlementaire geschiedenis over het begrip kernbeding geoordeeld:
Voorop gesteld moet worden dat […] voor de vaststelling wat onder een kernbeding moet worden verstaan, niet bepalend is of het beding een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt. Voorts moet het begrip kernbeding zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (HR 19 september 1997, NJ 1998, 6). Waar in de wetsgeschiedenis wordt opgemerkt dat bepalend is of een beding van zo wezenlijke betekenis is dat zonder dat beding de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn, moet zulks dan ook in de zojuist bedoelde objectieve zin worden begrepen, en kan daaraan niet worden ontleend dat de subjectieve inzichten van de partijen of een van hen van belang zouden zijn. De vraag of partijen zelf bedingen tot kernbedingen kunnen bestempelen, moet ontkennend worden beantwoord; het dwingende karakter van de regeling verzet zich tegen alle bedingen die ertoe strekken, de door de wet geboden bescherming te verijdelen.10
Dit genoemde arrest betrof een stichting met als doelstelling het verzorgen van huisvesting voor ouderen, die in het kader daarvan appartementen ontwikkelde en verkocht, met daarbij een voorkeursrecht, op grond waarvan zij het appartement voor dezelfde prijs, met indexatie, kon terugkopen. Hoewel deze bepaling gezien de overwegingen van het hof voor de stichting essentieel was voor het (blijvend) kunnen realiseren van haar doelstelling en moet worden aangenomen dat de stichting zonder dit beding de overeenkomst niet had gesloten, is in de ogen van de Hoge Raad geen sprake van een kernbeding.
De uit het voorgaande beperkte interpretatie van het begrip kernbeding in aanmerking nemend, ben ik van mening dat de meeste bepalingen in de administratievoorwaarden geen kernbeding zijn.11 De kern van de prestaties wordt (doorgaans) gevormd door (i) de verplichting van de certificaathouder tot de overdracht van vermogen, (ii) de verplichting van de STAK om bij decertificering het gecertificeerde vermogen over te dragen aan de certificaathouder en (iii) de verplichting voor de STAK om de inkomsten uit het gecertificeerde vermogen (op enig moment) aan de certificaathouder uit te keren.12 Overige veelal in administratievoorwaarden geregeld zaken (vergelijk paragraaf 7.9.1) zijn mijns inziens niet dermate wezenlijk, dat de certificeringsovereenkomst zonder een dergelijke bepaling niet tot stand zou kunnen komen. Veel van deze bepalingen in de administratievoorwaarden werken ten gunste van de certificaathouder, bijvoorbeeld omdat zij zeggenschap toekennen, zodat de geldigheid hiervan in het verband van de regeling inzake algemene voorwaarden niet ter discussie gesteld zal worden.
Dat ligt echter anders bij een beding dat bepaalt dat de certificaten niet of slechts beperkt royeerbaar zijn. Een dergelijk beding is, hoewel van groot belang voor de STAK gezien het door haar na te streven doel, mijns inziens geen kernbeding. Deze conclusie wordt ondersteund door het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Daarnaast komen bedingen die de opzegbaarheid beperken voor op de “grijze lijst” van artikel 6:237 BW en kunnen dergelijke bedingen geen kernbeding zijn.13 Dit impliceert dat, indien men zou moeten concluderen dat de administratievoorwaarden algemene voorwaarden zijn, een beding dat de royeerbaarheid van de certificaten beperkt in beginsel vernietigd kan worden door de certificaathouder, behoudens indien het niet onredelijk bezwarend is. Aangezien een dergelijk beding onder artikel 6:237 sub l of sub o BW valt, rust de bewijslast te dier zake bij de STAK. In aanmerking nemend dat certificering, zeker bij voor de certificaathouder restrictieve voorwaarden, de positie van de certificaathouder aanmerkelijk beperkt,14 lijkt mij dit, althans bij certificering in familiale context geen eenvoudig te leveren bewijs.15