Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.5
3.5 De strekking van art. 2:11 BW: voorkomen van misbruik van rechtspersoonlijkheid
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306109:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 3.
Tweede Kamer, Kamerstukken 16 631, nr. 6, p. 4.
Vgl. HR 14 maart 2008, JOR 2008, 152 (m.n. r.o. 4.2).
Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), r.o. 3.4.2. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat de verhaalsaansprakelijkheid van een rechtspersoon- bestuurder immers beperkt is tot het (mogelijk geringe) vermogen van die rechtspersoon.
Van Veen 2015, par. 4 en voetnoot 41 werpt de (fundamentele) vraag op of het vennootschapsrecht aangewezen is om de reikwijdte van wettelijke aansprakelijkheidsregelingen op te rekken tot buiten de gevallen waarop zij betrekking hebben. Hij kan zich daarbij wel wat voorstellen indien het vennootschapsrecht aan een goede werking van die aansprakelijkheidsregelingen in de weg zou staan, zoals in het rechtspersonenrecht art. 2:11 BW. Waarschijnlijk heeft Van Veen daarbij het oog op hetgeen ik hier vermeld.
Daaraan wordt in de MvT toegevoegd dat dergelijke gevallen weinig zouden voorkomen. Tegenwoordig is het echter niet ongebruikelijk dat in concernverhoudingen sprake is van ten minste één tussenholding die vaak ook optreedt als bestuurder.
Tot invoering van art. 2:11 BW was het mogelijk om een rechtspersoon tot bestuurder te benoemen zonder dat in beginsel de “achterliggende” natuurlijk persoon (met kans op succes) aansprakelijk gesteld kon worden voor het doen en laten van die rechtspersoon-bestuurder. Een eventuele aansprakelijkheid werd beperkt tot het vermogen van de rechtspersoon-bestuurder. Nadat men de voor- en nadelen die verbonden zijn aan de figuur van de rechtspersoon- bestuurder aan de orde had gesteld, heeft men gekozen voor handhaving van de betreffende rechtsfiguur.1 In de parlementaire geschiedenis wordt vermeld dat gezocht is naar een minder ver gaande oplossing dan een verbod van de figuur van de rechtspersoon-bestuurder. De betreffende oplossing is gevonden in art. 2:11 BW.Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux), r.o. 3.4.2 waarin de Hoge Raad opmerkt: “Art. 2:11 BW is ingevoerd als minder vergaand alternatief voor een verbod op een rechtspersoon als bestuurder, bij welk alternatief als het ware wordt heengezien door de rechtspersoon-bestuurder en naast deze ook zijn bestuurders aansprakelijk worden in de gevallen waarin de wet aansprakelijkheid van bestuurders regelt. (Vgl. Kamerstukken II 1980-1981, 16 631, nr. 3, p. 1-3)”.
De Derde Misbruikwet is gericht op de bestrijding van misbruik van rechtspersoonlijkheid.2Art. 2:11 BW wordt in de parlementaire geschiedenis behandeld in het kader van deze antimisbruikwetgeving. De strekking van art. 2:11 BW is namelijk het voorkomen van misbruik van rechtspersoonlijkheid.3 Dit betekent overigens niet dat dit artikel alleen in misbruiksituaties toegepast wordt of kan worden. Bestuurders dienen zich door de introductie van art. 2:11 BW minder gemakkelijk achter rechtspersoonlijkheid te kunnen verschuilen in die gevallen waarin benadeling van schuldeisers het gevolg is van slecht of onbehoorlijk bestuur.4/5 Door de introductie van art. 2:11 BW wordt als het ware “heen gezien” door de rechtspersoon-bestuurder en worden naast de rechtspersoon ook zijn bestuurders (natuurlijke personen) aansprakelijk in de gevallen waarin de wet de aansprakelijkheid van bestuurders regelt.6 Daardoor komt de bestuurdersaansprakelijkheid mede te liggen bij één natuurlijke persoon of bij meerdere natuurlijke personen.