Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.5.4
3.5.4 Waardevergoeding
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497449:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
BHGZ 5, 197; BGHZ 10, 171; BGHZ 17, 236; BGHZ 132, 198. Letterlijk bepaalt §818 lid 3 dat de verplichting tot teruggave of waardevergoeding vervalt voor zover de verrijkingsschuldenaar niet meer verrijkt is. Het vereiste van goede trouw wordt niet met zoveel woorden door de wet genoemd, maar blijkt uit §818 lid 4 en §819. De meeste auteurs nemen aan dat onder omstandigheden de bepaling ook schuldenaren beschermt die de verrijking op minder dan haar marktwaarde waarderen. De schuldenaar hoeft dan slechts de persoonlijke waarde van hetgeen is ontvangen te vergoeden.
Larenz/Canaris 1994, p. 276-277; Medicus 2004, nr. 678; Lorenz 2007, §818, nr. 26- 30; anders: Koppensteiner & Kramer 1975, p. 174; Esser/Weyers 2000, p. 103.
§818 lid 2 geeft de verrijkingsschuldeiser in twee gevallen recht op een vergoeding van de waarde van hetgeen de verrijkingsschuldenaar heeft ontvangen. In de eerste plaats heeft hij recht op vergoeding van de waarde van de prestatie wanneer de schuldenaar geen teruggave in natura kan geven van het hetgeen deze heeft ontvangen, omdat dit naar de aard van de ontvangen prestatie onmogelijk is. Bijvoorbeeld, een dienst, zoals het geven van een advies of het uitgraven van een kanaal, kan niet in natura worden teruggegeven. De schuldeiser heeft recht op vergoeding van zijn werkzaamheden.
In de tweede plaats verkrijgt de schuldeiser een recht op waardevergoeding wanneer de schuldenaar om andere redenen niet in natura terug kan geven. Stel bijvoorbeeld dat de verrijkingsschuldeiser een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft tot teruggave van bouwmaterialen. De schuldenaar is niet in staat tot teruggave in natura, omdat hij de materialen heeft gebruikt bij de bouw van een huis. De verrijkingsschuldeiser heeft dan recht op vergoeding van de waarde van de materialen.
In de literatuur wordt gediscussieerd over de vraag of de verrijkingsschuldenaar op grond van lid 2 de waarde moet vergoeden die de prestatie voor hem persoonlijk heeft, of dat hij de marktwaarde moet vergoeden. De meeste auteurs kiezen voor de marktwaarde, net als het BGH.1 In deze benadering hoeft de verrijkingsschuldenaar niet een extra voordeel dat boven de marktwaarde van de prestatie uitgaat, af te staan aan de verrijkingsschuldeiser. Dit extra voordeel ontstaat doorgaans immers niet door de prestatie van de schuldeiser, maar is een gevolg van omstandigheden die in de sfeer van de schuldenaar liggen.2 Wanneer de verrijkingsschuldenaar minder waarde hecht aan het ontvangen voordeel dan de marktwaarde of wanneer de waarde van de prestatie die hij heeft ontvangen is verminderd, dan kan hij, als hij te goeder trouw is, zich beroepen op lid 3. Lid 3 wordt in de volgende subparagraaf besproken.
Ter illustratie van lid 2 kan het voorbeeld van een doorverkochte zaak dienen, dat ook in de vorige subparagraaf aan de orde kwam. Stel dat de verrijkingsschuldeiser een zaak zonder rechtsgrond in eigendom overdraagt aan de verrijkingsschuldenaar. Deze verkoopt de zaak door aan een derde. Hij kan zijn verplichting tot teruggave van wat hij heeft verkregen niet meer nakomen. Hij moet daarom een vergoeding betalen ter grootte van de marktwaarde. Als de verkoopprijs hoger is dan de marktwaarde, mag hij het surplus behouden. Als de prijs lager is, moet hij in principe toch de marktwaarde vergoeden. Alleen als hij te goeder trouw is, mag hij het verweer voeren dat de verrijking is verminderd (lid 3). Dit verweer komt in de volgende subparagraaf aan de orde.