Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.6.4
4.6.4 Consequenties
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS594951:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een deel betreffen deze onderdelen van het hiervoor in 4.4.2 besproken certificatieproces, voor een deel betreffen ze andere onderwerpen.Uitgebreid hierover Shapiro 1989, p. 935-42, in het bijzonder p. 935-6, p. 941-2, waar hij nog de ontvankelijkheid van class actions met sluipende massaschade als onderwerp noemt of de aanpassing van geldende materieelrechtelijke leerstukken, die collectieve afwikkeling in de weg staan.
Hetgeen ik hierna te dien aanzien opmerk, is vooral ontleend aan Shapiro 1989, p. 932, 937-8, 940-1.
De huidige stand van de rechtspraak ten aanzien van sluipende massaschade is dat class actions in die gevallen slechts voor zogenaamde `medical monitoring claims' worden toegestaan. Dat zijn claims van potentiële toekomstige slachtoffers van sluipende schade, die blootgesteld zijn geweest aan een product, maar bij wie nog geen ziekte zich heeft geopenbaard. De class action is geen damages class action, maar een type dat hier buiten beschouwing blijft: de klagers verzoeken een `declaratory or injunctive relief , doorgaans dat een `medical monitoring program' wordt opgezet dat het mogelijk maakt dat zij regelmatig medisch onderzocht worden: Gifford 2005, p. 35-6 en de literatuur bij noot 84 (bij adequate class vertegenwoordiger: de toekomstige benadeelden). Over de problematiek van monitoring acties is inmiddels ook het nodige geschreven, zie onder meer: Garner, Komman & Coats 2000, Hazard 2000, Maskin, Cailteux & McLaren 2000. Daarnaast wordt in de literatuur een toename van zelfstandige acties gesignaleerd van gezondheidsinstellingen- en organisaties, openbare lichamen e.d. die de ziektekosten van slachtoffers van sluipende massaschade hebben vergoed: Gifford 2005, p. 55-61.
Met de rijpheid van de collectieve actie wordt bedoeld dat in anterieure individuele procedures voldoende inzicht en informatie moet zijn verkregen over de relevante onrechtmatigheids-, causaliteitsen schadeomvangvragen, voordat een collectieve aanpak kan worden gevolgd. Het zijn vooral de ontoereikende stand van wetenschap en techniek waardoor het onmogelijk is om de verbanden tussen bepaalde oorzaken en gevolgen vast te stellen, en de daarmee samenhangende vraag hoe dat zich in juridische termen dient te vertalen. De gedachte is dat daarover eerst in individuele gevallen rechtspraak moet worden ontwikkeld, voordat collectieve behandeling op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden: Hensler e.a. 2000, p. 106-7 en noot 161, C. Menkel-Meadow 1998, p. 524-526. McGovem 1989 heeft als eerste de aandacht gevestigd op deze problematiek. Kritiek over het vereiste vindt men bij Rosenberg 1989, p. 707-13 en Case Comment 1997, p. 979-81.
Dat zijn in feite proefprocessen. Een aantal is echter geselecteerd door de eisers en een aantal door de verweerders: Shapiro 1989, p. 935, noot 55.
Shapiro 1989, p. 942-60. Gifford 2005, p. 81-3 is behoudender, waar hij zich in het kader van de problematiek van sluipende massaschade afvraagt of het rechtssysteem wel het meest geschikte instrument is om welzijnsdoelstellingen te realiseren: één van de rechtvaardigingsgronden die voor het entiteitsmodel worden aangevoerd.
De benadering van de class als entiteit heeft verschillende consequenties.1 Zoals reeds aangekondigd zal ik hier ter illustratie vier consequenties behandelen, namelijk voor het kennisgevingsvoorschrift en de mogelijkheid van opt out,2 voor de ontvankelijkverklaring van class actions ten aanzien van sluipende massaschade en voor het gebruik van kwantitatieve methoden bij de bewijslevering.
Het entiteitsmodel brengt mee dat het kennisgevingsvoorschrift moet worden toegepast in het licht van het kostenaspect: het mag niet de doodsteek voor de actie betekenen. Onder omstandigheden zal dat tot een selectieve toepassing leiden, hetgeen wil zeggen dat slechts een representatieve groep van de class op de hoogte van de actie zou hoeven te worden gesteld. Het verschil tussen het consolidatie- en het entiteitsmodel is vooral zichtbaar bij de vorming van het rechterlijke beleid ten aanzien van opt out-verzoeken. In het licht van de entiteitsgedachte dienen deze restrictief en slechts onder beperkte voorwaarden te worden toegestaan. Juist diegenen die van de mogelijkheid gebruik willen maken, moet men binnen de groep zien te houden, omdat van hen kan worden verwacht dat zij actief en kritisch het optreden van de class vertegenwoordiger en de advocaat zullen volgen, met als gevolg dat een zo optimaal mogelijk resultaat voor de groep wordt bereikt. De actieve rechter, die overigens ook in het consolidatiemodel aanwezig is, zou volgens de entiteitsgedachte een verzoek tot opt out moeten weigeren, indien dat niet in het belang van de groep is. Ook indien het vaststaat dat deelname aan de groep voor een aantal van de leden nadelig is.
Een andere belangrijke consequentie van een keuze voor het entiteitsmodel is dat de leden van de class een grote rol in de actie blijven spelen, zij het niet als cliënt, maar als een vertegenwoordiger van de cliënt: de class, zoals dat ook het geval is bij andere procederende entiteiten. Een aandachtspunt daarbij blijft wel het ontwikkelen en toepassen van methoden die ervoor zorgen dat de 'vertegenwoordigers' representatief genoeg blijven voor de groep, hetgeen kan impliceren dat regelmatig steekproeven zouden moeten worden genomen.
Het entiteitsmodel brengt tevens mee dat de thans problematische ontvankelijkverklaring van class actions ten aanzien van sluipende massaschade, eenvoudiger wordt.3 Twee eerder in 1.3.2 genoemde aspecten spelen dat type class actions thans parten: de vereiste 'rijpheid' (maturity) van de actie en het probleem van de 'toekomstige benadeelden'.4 Een aanpak van sluipende massaschade die bij het entiteitsmodel past, zou zijn om een class voorwaardelijk ontvankelijk te verklaren, zodat informatievergaring adequaat kan plaatsvinden en mogelijk meerdere zogenaamde `bellwether trials' kunnen worden gevoerd,5 waarna definitief over de ontvankelijkheid kan worden beslist. Indien de beslissing positief zou uitvallen, dan zullen ook diegenen die de actie hebben opgestart, daarvan profiteren.
De toepassing van bewijslevering door middel van statistieken en zogenaamde `sampling technieken', die thans een enkele keer worden ingezet, maar met het oog op de due process gedachte als problematisch worden ervaren, past moeiteloos binnen het entiteitsmodel.
Vooralsnog wordt het entiteitsmodel in het Amerikaanse regime niet onderschreven en geldt nog altijd als uitgangspunt het individuele day in court beginsel, ook in massaschadeverhoudingen. Het beeld dat men in de praktijk aantreft, schept echter verwarring, omdat de class action praktijk en vooral de recente regelgeving elementen bevatten die passen binnen de entiteitsgedachte. Deze houden vooral verband met de actieve rol van de rechter in class actions, waarbij hij het gebruik van sampling technieken niet schuwt, en zijn geïntensiveerde toezicht op de handelwijze van de class advocaat. Een grond voor dat laatste is echter niet alleen te vinden in de entiteitsgedachte, maar ook in de specifieke dynamiek van de class action, een onderwerp dat in de volgende paragrafen aan bod komt. Deze verwarring kan voorkomen worden indien de wetgever, zoals in de literatuur6 wordt bepleit, een expliciete normatieve keuze zou maken voor de toepassing van het entiteitsmodel in de setting van massaschade.