Kavelruil
Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.5.e:e. Tot slot: terug naar Van Rossum
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.5.e
e. Tot slot: terug naar Van Rossum
Documentgegevens:
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476174:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ter afsluiting van deze beschouwingen neem ik de reiziger graag mee terug naar de parlementaire geschiedenis. De navolgende woorden van ‘oude bekende’1 Kamerlid Van Rossum (SGP), uitgesproken in het kader van de beraadslaging over het amendement ter invoering van de ‘oude’ vrijstelling van onderdeel q, bieden, hoewel betrekking hebbend op de vrijstelling van onderdeel q, legio termen en verwijzingen die ook in ‘kavelruil-land’ van belang zijn of zijn geweest:
“(…) Wij moeten dan natuurlijk ook de mogelijkheid scheppen dat, als men het perceel van zijn buurman lam kopen, dit dan zo soepel mogelijk wordt geregeld. Ik meen dat juist het amendement, zoals het door de geachte afgevaardigden de heren Koning en Kieft is voorgesteld, daartoe zeer duidelijk een opening biedt en dus helemaal past in de lijn, zoals deze bij bepaalde wetstoepassingen op het ogenblik door de Minister van Landbouw – naar ik aanneem namens het gehele kabinet – ook wordt getrokken. Ik dacht, dat bij de behandeling van de Wet op de Omzetbelasting 1968, toen wij hier ook spraken over een wijziging na het bepaalde in artikel 101 van de Registratiewet 1917, ook is gewezen op de mogelijkheid om met fiscale middelen op bepaalde punten te voorkomen dat de landbouwstructuur zou verslechteren door het splitsen van bedrijven. Ligt het dan niet volkomen voor de hand om ook met fiscale middelen er aan mede te werken, dat de landbouwstructuur verbeterd wordt door vergroting der bedrijven op volkomen vrijwillige grondslag? Ik meen dus, dat het een heel goede zaak is, dat wij ook bij deze wet een opening maken, waardoor de betrokken landbouwers geholpen kunnen worden met naastliggende percelen. Voor de uitvoering hiervan (…) zijn instanties, die vandaag de dag al beoordelen of het toevoegen van percelen de landbouwstructuur al dan niet verbetert. Daar kan de belastinginspecteur zich ook vervoegen en het oordeel van deskundigen vragen.”2
De oplettende lezer heeft hier, vrij vertaald, achtereenvolgens de ratio achter de fiscale vrijstelling van verkrijging en ruiling van (landbouw)grond, de verbetering van de verkaveling, het tegengaan van versnippering, de vrijwilligheid als uitgangspunt, de toetsing in verband met de (objectieve) verbetering en de beperkte rol van de fiscus, die dient te varen op het oordeel van ‘deskundigen’, kunnen ontdekken. Dergelijke onderwerpen zijn ook bij de kavelruil in meer of mindere mate aanwezig (geweest).
Conclusie is dan ook dat doorgronding van de vrijstelling van onderdeel 1 en de rechtsontwikkeling te dier zake niet (goed) mogelijk is zonder voldoende historische en actuele kennis omtrent de fiscale grenzen van onderdeel q en vice versa. De samenhang en onderlinge dwarsverbanden tussen beide vrijstellingen is prominent aanwezig, waarbij aangetekend moet worden dat de kavelruil de laatste jaren, zeker sinds de introductie van de WILG, in fiscalibus wel meer een eigen koers is gaan varen, vanwege het grotendeels loslaten van de zelfstandige fiscale toetsing. Dit is echter geen fiscaal-technische, maar een (rechts)politieke keuze. Wetssystematisch zijn de beide vrijstellingen ontsproten aan (nagenoeg) hetzelfde gedachtengoed en zijn en blijven daardoor in zekere mate ‘tot elkaar veroordeeld’. De bloedband tussen deze beide vrijstellingen kan niet worden doorgesneden door de fiscale koerswijziging op het terrein van de kavelruil. Een geïsoleerde benadering van de diverse agro-fiscale vrijstellingen in het algemeen en verhouding 1 en q in het bijzonder doet dan ook geen recht aan de fiscaal-inhoudelijke rijkdom en verwevenheid die het agro-fiscale recht op het terrein van de overdrachtsbelasting naar mijn mening kenmerken. Ook de overige besproken en nog te bespreken vrijstellingen maken, vervallen of niet, onderdeel uit van dit palet. Door de bestudering van de fiscale dimensie van de kavelruil op deze (interne, fiscaal-rechtsvergelijkende) wijze ontstaat begrip voor deze samenhang en daarnaast tevens enig onbegrip, althans ongemakkelijkheid ten aanzien van de huidige fiscale situatie van de kavelruil, waarin ‘alles kan, alles mag’ welhaast het motto blijkt te zijn. Zie in dit verband nader de onderdelen C.4 tot en met C.6 van het vorige hoofdstuk.