Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.4.1:5.5.4.1 Inleiding
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.5.4.1
5.5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575216:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Van Schijndel en Van Veen/Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten klaagt Van Schijndel in cassatie over het feit dat de op de 'Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling' gebaseerde pensioenregeling voor fysiotherapeuten in strijd is met de artikelen 3 (f), 5, 85-86 en 90 EG-Verdrag (thans artikelen 3 (g), 10, 81-82 en 86 EG) 1 Deelname aan de deze regeling is in beginsel voor elke fysiotherapeut verplicht. Er kan echter een vrijstelling worden verleend voor de therapeut die uitsluitend in dienstverband bij een vennootschap werkzaam was en voor al haar werknemers een afwijkende maar gelijkwaardige pensioenvoorziening heeft geregeld. Nu de door Van Schijndel getroffen pensioenvoorziening niet voldoet aan het vereiste dat zij geldt voor alle in dienst van diens werkgever werkzame beroepsgenoten (de 'collectiviteitseis') krijgen Van Schijndel en Van Veen geen vrijstelling. De oorspronkelijke eis ging uit van de verbindendheid van de desbetreffende bepaling maar betoogde dat deze bepaling niet op het geval mocht worden toegepast. In cassatie wordt pas betoogt dat de rechter ambtshalve had moeten onderzoeken en vaststellen dat de wetsbepaling onverbindend was wegens strijd met artikel 81 EG.2 Van Schijndel heeft zich noch in eerste aanleg, noch in appel op genoemde bepalingen uit het EG-Verdrag beroepen. Naar Nederlands recht brengt dit mede dat hij dat niet voor het eerst in cassatie kan doen. De feitenrechter zal de vorderingen van Van Schijndel dan namelijk op een andere grondslag moeten hebben onderzocht dan is aangevoerd, hetgeen in strijd komt met artikel 24 en 25 Rv.3 Vraag is nu of de omstandigheid dat Van Schijndel zich beroept op bepalingen van gemeenschapsrecht, ertoe noopt anders te oordelen. De Hoge Raad stelt onder meer de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ EG:
'1. Behoort de nationale burgerlijke rechter in een geding dat betrekking heeft op ter vrije beschikking van partijen staande burgerlijke rechten en verplichtingen, de art. 3 (f), 5, 85-86 en/of 90 Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap óók dan toe te passen wanneer daarop door de procespartij die bij de toepassing belang heeft, geen beroep is gedaan?
2. Als vraag 1 in beginsel bevestigend moet worden beantwoord, geldt dat antwoord dan ook indien die rechter dusdoende de hem in beginsel passende lijdelijkheid zou moeten verzaken doordien hij dusdoende a. zou moeten treden buiten de rechtsstrijd van partijen en/of b. zich zou hebben te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de procespartij die bij de toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd?'
De overige vier vragen zijn minder relevant voor de rol van de nationale rechter in het Europees en Nederlands mededingingsrecht en worden hier dan ook niet verder besproken.