Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.1.1
8.4.1.1 Agio- en winstbonusaandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456567:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Het nieuwe art. 20c, achtste lid, Wet IB spreekt zuiverder over 'tegenprestatie', waar het oude art. 39, zesde lid, (oud) Wet IB nog over de verkrijgingsprijs sprak.
Dit verklaart het gebruik van het woord 'dividend' in art. 20c, achtste lid, Wet IB in plaats van uitsluitend de woorden 'regulier voordeel'. Het gebruik van het woord 'dividend' is ontleend aan art. 29, eerste lid, Wet IB. Vgl. de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 60.
In deze zin tevens T. Blokland, Agio bij het aanmerkelijk belang, MBB december 1997, blz. 393 e.v.
In dezelfde zin HR 13 november 1985, BNB 1986/3, Hof Leeuwarden 19 mei 1988, BNB 1989/205 en HR 4 oktober 1995, BNB 1996/33.
In deze zin de staatssecretaris van Financiën in zijn persbericht van 19 december 1984, nr. Y432, WFR 1985/5665, blz. 44. In gelijke zin J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed's fiscale brochures, blz. 174 e.v., FED, Deventer, 1995; P.H.J. Essers, Uitreiking van agiobonusaandelen, gevolgd dooreen kapitaalterugbetaling: een nieuw lek in de aanmerkelijkbelangregeling, WFR 1985/5679, blz. 506 e.v.; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting. Fiscale handen studieboeken nr. 2, blz. 465, Kluwer, Deventer, 1994. Anders T. Blokland die het verdedigbaar achtte tot belastingheffing uit hoofde van winst uit aanmerkelijk belang te komen in het jaar van de terugbetaling zelve, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 240, Kluwer, Deventer. 1993.
Dit moest overigens wel bij nota van wijziging bij wetsvoorstel 23 083. nr. 7 uitdrukkelijk in art. 39, zesde lid, (oud) Wet IB worden bepaald. Zie ook T. Blokland, Preadvies inzake wetsvoorstel 23 083, V-N 1994, blz. 1944 die deze wijziging juist acht. Dit is ongewijzigd overgenomen in het nieuwe art. 20c, achtste lid. Wet IB.
Ingevolge art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB wordt de nominale waarde van aan aandeelhouders uitgereikte aandelen voor zover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden aangemerkt als regulier voordeel; bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld. Voor winstbonusaandelen is dit de nominale waarde, voor agiobonusaandelen ƒ nihil (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.2). Teneinde geen dubbele belastingheffing te verkrijgen resp. een lek in de belastingheffing te voorkomen is een regeling noodzakelijk die samenloop met de aanmerkelijkbelangheffing ter zake van de vervreemdingsvoordelen voorkomt. Dit was overigens onder de oude aanmerkelijkbelangregeling niet anders. Deze anticumulatieregeling wordt aangetroffen in art. 20c, achtste lid, Wet IB en is gelijkluidend aan het vroegere art. 39, zesde lid, (oud) Wet IB. Ingevolge art. 20c, achtste lid, Wet IB wordt als tegenprestatie1 voor de uitgereikte aandelen of winstbewijzen aangemerkt het bedrag dat ter zake van die uitreiking als dividend of regulier voordeel wordt aangemerkt, eventueel verhoogd met een toebetaling door de belastingplichtige; bijschrijving op aandelen wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld. Zijn de aandelen uitgereikt op een moment dat (nog) geen sprake was van een aanmerkelijk belang, dan heeft art. 29, eerste lid, Wet IB toepassing gevonden. Ook dan dient art. 20c, achtste lid, Wet IB toepassing te vinden, indien de (uitgereikte) aandelen nadien tot een aanmerkelijk belang gaan behoren.2 Dit betekent dat voor agiobonusaandelen de verkrijgingsprijs ƒ nihil bedraagt en voor winstbonusaandelen de nominale waarde. Doordat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling wordt uitgegaan van een pakketverkrijgingsprijs, kan de uitgifte van agio- resp. winstbonusaandelen tot gevolg hebben dat de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel daalt.3 In geval van de uitgifte van agiobonusaandelen is dit altijd het geval, in geval van winstbonusaandelen alleen als de aandelen voor een hogere prijs dan de nominale waarde zijn verkregen. Onder het oude aanmerkelijkbelangregime ontstond nog een lek in de aanmerkelijkbelangregeling door het arrest van de Hoge Raad 17 oktober 1984, BNB 1985/19.4 Ingevolge dit arrest diende een terugbetaling van ten laste van de agioreserve uitgegeven kapitaal gelijkmatig aan alle aandelen, d.w.z. de gewone en de agiobonusaandelen, te worden toegerekend. Het logische gevolg hiervan, t.w. een negatieve verkrijgingsprijs van de agiobonusaandelen, heeft de Hoge Raad echter niet aanvaard, waardoor in de oude aanmerkelijkbelangregeling een lek in de belastingheffing ontstond.5 Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling doet zich dit lek niet langer voor, nu sedert 1 januari 1997 moet worden uitgegaan van de gemiddelde (pakket)verkrijgingsprijs en voorts een terugbetaling van gestort kapitaal slechts onbelast mogelijk is tot het bedrag van deze gemiddelde verkrijgingsprijs (art. 20b, eerste lid, onderdeel c. Wet IB, zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.4). De uitgifte van agiobonusaandelen leidt weliswaar niet tot een wijziging van de pakketverkrijgingsprijs, doch de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel zal wel dalen. Vervolgens verlaagt een terugbetaling van gestort kapitaal deze door de uitgifte van agiobonusaandelen ongewijzigd gebleven pakketverkrijgingsprijs, waardoor de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel verder vermindert.
Evenals dat onder de oude aanmerkelijkbelangregeling op grond van art. 39, zesde lid, (oud) Wet IB het geval was, geldt voor winstbewijzen, evenals voor agiobonusaandelen, een verkrijgingsprijs van ƒ nihil, zodat bij vervreemding van winstbewijzen de gehele opbrengst onder de aanmerkelijkbelangheffing valt. Hierbij is irrelevant of sprake is van winstbewijzen die door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. tijdelijke winstbewijzen, dan wel van winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen.6 Door de uitdrukkelijke opname van winstbewijzen in art. 20c, achtste lid, Wet IB is in elk geval art. 20c, vierde lid, Wet IB niet van toepassing, ingevolge welk artikel bij gebreke van een tegenprestatie bij de verkrijging deze prijs zou worden gesteld op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de verkrijging (zie hierna onderdeel 8.5).