Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.3.2:4.3.2 De gemeentewet 1992
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/4.3.2
4.3.2 De gemeentewet 1992
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248445:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De gemeentewetgever van 1992 bracht op het commissiestel uit 1964 nauwelijks inhoudelijke wijziging aan, maar ging wel over tot een behoorlijk grote herstructurering. De expliciete vermelding dat de raad territoriale en functionele commissies kon instellen, verdween uit de gemeentewet. Volgens de regering was het onnodig om dit te vermelden omdat er geen twijfel over hoefde te bestaan dat de raad hiertoe bevoegd was.1 In plaats daarvan werd in artikel 82 gemeentewet 1992 in algemene zin bepaald dat de raad commissies kon instellen. Dit werd in de artikelen 83 en 84 gemeentewet 1992 verder uitgewerkt voor commissies waaraan bevoegdheden van de raad respectievelijk het college of de burgemeester waren overgedragen. De raad moest daarbij een regeling treffen voor de verantwoording van de commissie aan de raad en het toezicht dat door ofwel de raad ofwel het college of de burgemeester zou worden uitgeoefend. In artikel 85 gemeentewet 1992 werden een aantal aanvullende zaken ten aanzien van beroep- en bezwaarschriftencommissies apart geregeld en artikel 87 gemeentewet 1992 deed hetzelfde voor territoriale commissies waaraan de behartiging van een aanzienlijk deel van de belangen van een deel van de gemeente was opgedragen, oftewel de deelgemeenten. De mogelijkheid voor de raad om vaste commissies van advies voor het college of de burgemeester in te stellen bleef in artikel 91 gehandhaafd. Artikel 92 gemeentewet 1992 deed hetzelfde voor de commissies van advies die het college en de burgemeester voor zichzelf konden instellen.
Naast de herstructurering van de typen commissies, bracht de gemeentewet 1992 nog twee andere wijzigingen van betekenis aan op het commissiestelsel. De eerste betrof een nieuwe verplichting in artikel 87 gemeentewet 1992 om voor zware territoriale commissies verkiezingen te organiseren. Deze verplichting was in de wet opgenomen naar aanleiding van de introductie van artikel 4 Grondwet bij de grondwetsherziening van 1983. Alle Nederlanders hebben op grond van dit artikel het actieve en passieve kiesrecht voor algemeen vertegenwoordigende organen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de betekenis van dit artikel voor binnengemeentelijke decentralisatie. De tweede wijziging betrof een nieuwe verplichting in artikel 91 lid 3 gemeentewet 1992 voor de raad om vaste commissies van advies aan het college of aan de burgemeester die tevens tot taak hadden het college of de burgemeester van advies te dienen bij de voorbereiding van de besluitvorming in de raad, zo samen te stellen dat er, voor zover het de benoeming van leden van de raad betrof, sprake was van een evenwichtige vertegenwoordiging van in de raad vertegenwoordigde groeperingen. De directe aanleiding voor deze bepaling was een besluit uit 1980 van de raad in de gemeente Zevenbergen om bij het samenstellen van vaste commissies van advies één fractie stelselmatig uit te sluiten van deelname.2 Toen dit besluit werd aangevochten, bleek dat het twijfelachtig was of tegen dit type besluiten beroep op grond van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (wet Arob) mogelijk was. De regering besloot daarop na aandringen van de PvdA- en D66-fractie in de Tweede Kamer bij nota van wijziging de hiervoor genoemde bepaling in de Gemeentewet op te nemen om zo potentiële toekomstige problemen te kunnen ondervangen.3 De bepaling was expliciet bedoeld om raadsminderheden te beschermen zodat zij hun oppositietaak goed zouden kunnen vervullen. De bepaling had niet ten doel voor te schrijven dat alle raadsfracties onder alle omstandigheden in alle vaste commissies van advies vertegenwoordigd moesten zijn. Er moest slechts een zekere spreiding over de raadsfracties van de zetels in vaste commissies van advies gerealiseerd worden.4
Er zijn ten slotte aan de wetswijziging uit 1992 nog twee zaken vermeldenswaardig. Allereerst werd de bepaling geschrapt dat in functionele bestuurscommissies minstens één lid van de raad moest worden gekozen. Het is gissen naar de reden om deze bepaling niet over te nemen, want de parlementaire stukken zwijgen er in alle toonaarden over. Waarschijnlijk vond men de bepaling onnodig omdat men ervan uitging dat deze commissies toch wel voor minstens een deel uit raadsleden zouden bestaan en anders was achteraf ingrijpen altijd nog mogelijk. Ten tweede werd het mogelijk om bevoegdheden van de burgemeester over te dragen aan commissies. Alleen op verzoek van de burgemeester zelf mocht de raad daartoe overgaan en bepaalde bevoegdheden waren van overdracht uitgesloten, zoals de bevoegdheid om noodverordeningen uit te vaardigen.