Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.6
3.6 De twee stadia van de beslissing over een onmiddellijke voorziening
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196913:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In hfdst. 4 worden concrete maatregelen besproken en zal blijken dat in sommige situaties verschillende voorzieningen geschikt zijn. Dan kan een keuze gemaakt worden.
Mij zijn geen gevallen bekend waarin de Ondernemingskamer eerst in een beschikking besliste dát onmiddellijke voorzieningen nodig waren en vervolgens in een afzonderlijke beschikking de keuze voor de bepaalde voorziening bekendmaakte.
O.m. in verband met het betoog in 3.8, dat in het eerste stadium de maatstaven “in verband met de toestand van de rechtspersoon” en “in het belang van het onderzoek” moeten worden aangelegd, en dat in het tweede stadium meer nadruk ligt op de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Voor die vereisten zie 3.12.
In het SER-advies valt over het Voorontwerp te lezen dat de keuze van de voorzieningen beperkt blijft (men ging toen nog uit van een beperking tot de in art. 2:356 BW vermelde maatregelen), maar dat de criteria aanzienlijk verruimd worden, omdat het wetsontwerp het belang van het onderzoek dan wel de toestand van de rechtspersoon als toetspunt neemt (SER 88/14, p. 4.4). De toenmalige staatssecretaris van Justitie merkte op dat: “(…) de Ondernemingskamer mag (…), als onmiddellijk ingrijpen geboden is, vrij de voorzieningen (te) treffen die zij geboden acht” (onderstreping AF) (Kamerstukken I 1993/94, 22400, 8a (NV I). Dat houdt de suggestie in dat eerst beslist moet worden of een maatregel moet worden getroffen, waarna gekozen kan worden uit een ruim scala maatregelen. Zie uitvoeriger over het SER-advies in 3.2.
Storm 2008, p. 26.
Storm formuleert het niet bijzonder stellig.
In beide gevallen houdt het petitum “de onmiddellijke voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer geraden acht” of een soortgelijke formule in.
[103] De beslissing om een onmiddellijke voorziening te treffen wordt hier omwille van het betoog verdeeld in twee onderdelen. Die kunnen worden beschouwd als twee stadia van de beslissing of als twee achtereenvolgende beslissingen. Bij de eerste wordt de vraag beantwoord óf ingegrepen dient te worden. De tweede beslissing gaat over de vraag uit welke voorziening de ingreep moet bestaan. In de praktijk is het onderscheid tussen die twee beslissingsstadia niet altijd duidelijk. Dat heeft te maken met het doel van de onmiddellijke voorziening. Dat is – ruim geformuleerd – om chaos bij de rechtspersoon te bedwingen of het onderzoek te faciliteren. Beoogd wordt de situatie waarin de rechtspersoon verkeert te verbeteren, althans verslechtering te voorkomen. Dat rechtvaardigt het rechterlijk ingrijpen. Een dergelijke beoogde verbetering wordt doorgaans niet verwacht van een willekeurige onmiddellijke voorziening, maar van één of meer specifieke voorzieningen.1 Daarom ligt het voor de hand dat de rechter de vraag óf is voldaan aan de criteria voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet als een abstract vraagstuk beschouwt, maar beantwoordt met een bepaalde onmiddellijke voorziening in het achterhoofd. Het onderscheid tussen enerzijds de vraag óf onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen en anderzijds de beslissing over de precieze inhoud en omvang van de te treffen voorzieningen heeft in die zin iets kunstmatigs.2
[104] Toch zal in de volgende paragrafen hier en daar worden gedifferentieerd tussen de twee stadia van de beslissing.3 In de ontstaansgeschiedenis van de bepaling is steun te vinden voor het maken van dit onderscheid. In het SER-advies zijn de maatstaven voor het treffen van voorzieningen en de concrete maatregelen die de Ondernemingskamer zou kunnen nemen weliswaar tezamen, maar toch als twee afzonderlijke onderwerpen behandeld.4
Ook Storm spreekt over een onderscheid, zij het niet precies hetzelfde onderscheid als hiervoor is bedoeld.5 Hij ontwaart in de jurisprudentie van de Hoge Raad, althans voor de onmiddellijke voorzieningen die getroffen worden in verband met de toestand van de rechtspersoon, een onderscheid tussen de vraag of een onmiddellijke voorziening getroffen dient te worden en de vraag hoe diep zo’n voorziening mag ingrijpen in de vennootschappelijke verhoudingen.6 Het door Storm aangeduide onderscheid beslaat dus een wat beperkter gebied. Ik meen overigens dat de vraag ‘hoe diep mag de voorziening ingrijpen in de vennootschappelijke verhoudingen?’ kan worden beschouwd als een species is van het genus ‘welke voorziening moet worden getroffen?’.
Ten slotte zij opgemerkt dat het verschil tussen de beslissing om onmiddellijke voorzieningen te treffen en de keuze voor bepaalde maatregelen in de praktijk van de procedures wel degelijk een rol speelt. Het komt nogal eens voor dat verzoekers van onmiddellijke voorzieningen de rechter voorhouden dat ingrijpen noodzakelijk is en om het treffen van voorzieningen verzoeken, zonder het verzoek te concretiseren tot specifieke maatregelen. Nog vaker worden de beoogde voorzieningen wel precies omschreven, maar wordt subsidiair een (ruimere) keuze aan de rechter overgelaten.7 Deze praktijk hoeft niet te verbazen. Het met onmiddellijke voorzieningen beoogde doel (verbetering van de situatie) mag dan duidelijk zijn, er zijn soms meer wegen die naar dat Rome kunnen leiden. De keuze is dan aan de rechter.