Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.1
6.1 Inleiding
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685433:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras).
Conclusie A-G Wattel 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896.
Zie bijv. CRvB 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:890, AB 2020/353. Zie ook CRvB 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, AB 2020/217; CRvB 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:387, AB 2020/350; CRvB 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:237, AB 2020/349 en CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559, AB 2021/46.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302, m.nt. L.J.A. Damen. Uitgebreid over deze uitspraak onder andere de annotatie van C.L.G.F.H. Albers JB 2019/124 en Van Triet 2019.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.2-11.3. Zie over de subtiel van elkaar afwijkende standaardformules van de verschillende rechtscolleges vóór de Dakterras-uitspraak Damen 2018b, par. 4.3.
Vóór de Dakterras-uitspraak werden in het kader van het vertrouwensbeginsel al decennialang dezelfde vragen gesteld, zie bijv. bijlage 1 conclusie A-G Wattel; Stolk 1982; De Sterke 1989; Van Meegen 2001 en Bok 2004. In de Dakterras-uitspraak zijn die vragen van een systematisch kader voorzien.
Zie onder 10 van bijlage 1 van de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896, waar de A-G erop wijst dat van de circa 120 omgevingsrechtelijke zaken tussen 2016-2018 waarin een beroep op het vertrouwensbeginsel aan de orde was, dit beroep slechts in vier à vijf zaken is gehonoreerd.
Zie over deze problematiek onder andere Damen 2018b.
Zie hierover Damen 2019, p. 113-122, die dit reeds lang heeft betoogd. Zie in breder verband hoe het bestuurs(proces)recht burgervriendelijker wordt of dat in elk geval tracht te worden Barkhuysen & Den Ouden 2020. Vóór de Dakterras-uitspraak bestond veel kritiek op het door de bestuursrechters gehanteerde ‘mensbeeld’. Zie WRR, Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op zelfredzaamheid, Den Haag: WRR 2017 en bijv. Damen 2018a en Damen 2018b. Overigens werd ook vóór de Dakterras-uitspraak een uitlating soms uitgelegd vanuit het perspectief van een betrokkene. Zie bijv. ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3531, AB 2019/14, waarin de Afdeling overwoog dat appellant gelet op de bewoordingen in de brief redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat een algemene goedkeuring van de door hem overgelegde bouwtekeningen en constructieve gegevens is gegeven.
Aan een bewoner van een appartement in Den Haag is door twee ambtenaren verteld dat het door haar geplaatste dakterras weliswaar in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat op grond van gemeentelijk beleid niet tot handhaving zal worden overgegaan. De ambtenaren hebben niets op papier gezet en zijn slechts een paar keer langs gekomen en hebben mondeling mededelingen gedaan. Vervolgens ontvangt de bewoner tot haar ongenoegen een aantal weken later een last onder dwangsom van het college van B&W wegens strijdigheid met het bestemmingsplan. Zij moet het dakterras verwijderen.1
Of: de bewoner zoekt contact met de gemeente omdat zij een dakterras wil aanleggen. Een ter zake kundige ambtenaar belooft aan haar op het gemeentehuis dat een dakterras in overeenstemming is met alle regels en dat op een vergunningaanvraag positief zal worden besloten. De bewoner koopt in het vertrouwen op de juistheid van die mededeling materiaal voor het dakterras en vraagt een vergunning aan. Het college van B&W wijst de vergunning af omdat het gemeentelijk beleid dakterrassen niet toestaat.
Tegen bovenstaande beschikkingen kan de teleurgestelde bewoner bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Zij zal het besluit – de opgelegde last of de afwijzing van een vergunningaanvraag – dan bestrijden met een beroep op het vertrouwensbeginsel: het bestuursorgaan heeft niet overeenkomstig de eerder door hem gewekte verwachtingen beslist. Sinds de Dakterras-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 mei 2019 – in vervolg op de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht2 – is de door de bestuursrechter te verrich-ten toets (oorspronkelijk voor omgevingsrechtelijke zaken, maar inmiddels ook voor veel onderdelen van het overige bestuursrecht3) bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel in een ‘stappenplan’ vastgelegd.4
Een belanghebbende moet op grond van dat stappenplan drie hordes nemen voor honorering van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel: (i) het aantonen van een welbewuste standpuntbepaling, (ii) die afkomstig is van of toerekenbaar aan het bevoegde bestuursorgaan, en (iii) het niet aflegt tegen zwaarder wegende belangen (de belangenafweging). Alle drie de in dit onderzoek behandelde overheidsuitlatingen, kunnen onder omstandigheden een ‘welbewuste standpuntbepaling’ in de zin van de eerste stap opleveren.
De bestuursrechter wil met dit stappenplan niet zozeer aan andere criteria dan voorheen toetsen,5 als wel aan die toetsing een andere invulling geven door een – naar eigen zeggen – verschuiving van het bestuurlijke naar het burgerperspectief.6 Dat bestuurlijke perspectief leidde tot ontmoedigende cijfers. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde zelden.7
De Dakterras-uitspraak en sindsdien gewezen rechtspraak beoogt daarmee tegemoet te komen aan de in de literatuur geuite kritiek op de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Die kritiek zag voornamelijk op de discrepantie tussen de verwachtingen die burgers menen te kunnen ontlenen aan uitlatingen en de juridische binding aan die uitlatingen.8 De Afdeling – en sindsdien ook andere bestuursrechters – willen met de sinds mei 2019 ingezette lijn die discrepantie bestrijden door duidelijker te maken wanneer sprake is van een vertrouwenwekkende uitlating en meer ruimte te creëren om een uitlating aan het bevoegde orgaan toe te rekenen.9 Door een soepelere invulling van die eerste twee stappen, moet sneller aan de belangenafweging van stap 3 worden toegekomen. Omdat de Dakterras-uitspraak deels een continuering van en niet een breuk met eerdere rechtspraak oplevert, verwijs ik in dit hoofdstuk ook geregeld naar rechtspraak van vóór 29 mei 2019.
Hieronder behandel ik de invulling door de bestuursrechter van de drie stappen van een welbewuste standpuntbepaling (paragraaf 6.2), toerekenbaarheid aan het bevoegde bestuursorgaan (paragraaf 6.3) en de belangenafweging (paragraaf 6.4).