Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.2
2.4.2 Verval klachtdelict overspel
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946079:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 291.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 294.
Tussen 1894 en 1966 zijn volgens het Centraal Bureau voor Statistiek slechts 12 personen veroordeeld voor overspel. Dit volgt uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek, waarnaar wordt verwezen in de MvT bij de Wijziging van wetgeving naar aanleiding van de herziening van het echtscheidingsrecht: Kamerstukken II 1970-1971, 11 164, nr. 3, p. 5. Over de periode 1886-1893 had het CBS geen cijfers.
Zie Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 290: ‘De Commissie was eenparig van oordeel dat de strafvervolging in allen gevalle moet afhankelijk gesteld worden van de klagt der beleedigde partij. In abstracto is er volgens het oordeel der meerderheid welligt veel te zeggen voor ambtshalve vervolging en dan alleen nadat echtscheiding is voorafgegaan. Het praktische bezwaar dat daardoor de bijzondere familie-verhoudingen dikwijls noodeloos zullen verstoord worden, is echter overwegend.’
Het eerste klachtdelict dat ooit is geschrapt betreft overspel. Dit leidt tot de vraag of het straffeloos maken van dit handelen samenhangt met een gewijzigd inzicht dat de redengeving van het klachtvereiste raakt. Het klachtvereiste kende immers een prominente plaats bij deze strafbaarstelling. Zo betrof dit het enige delict waarvan het klachtvereiste oorspronkelijk in zowel de Code Pénal als het Wetboek van Strafvordering van 1838 was verankerd.
De strafbaarstelling van overspel heeft nadien echter een turbulent bestaan gekend. In het ontwerp van het Wetboek van Strafrecht dat in 1886 in werking trad, was – in navolging van het ontwerp van de Staatscommissie en met instemming van de Raad van State – overspel geen strafbaar feit en in het verlengde daarvan logischerwijs geen klachtdelict. De Tweede Kamer gaf echter de voorkeur aan strafbaarstelling, waarna minister van Justitie Modderman het wetsvoorstel aanpaste. De minister meende nog steeds dat straffeloosheid was aangewezen, maar conformeerde zich uit eerbied voor de volksovertuiging en vanwege de vrees dat straffeloosheid te grote afbreuk zou doen aan de zedelijke indruk van het wetboek.1 De minister voegde de Tweede Kamer tijdens de beraadslagingen wel toe dat hij van een strafbaarstelling weinig tot niets verwachtte.2 De verwachting van Modderman werd bewaarheid,3 waarna in 1971 een herziening van de echtscheidingswet leidde tot schrapping van de strafbaarstelling van overspel. De vervolging van dit feit was tot dan toe afhankelijk gesteld van een klacht van de beledigde echtgenoot, gevolgd door een eis tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed op diezelfde grond. Aan die klacht kon uitsluitend gevolg worden gegeven, nadat daadwerkelijk sprake was van echtscheiding of scheiding van tafel en bed. In de voorgestelde regeling van de echtscheidingswet werd overspel echter niet als reden vermeld voor echtscheiding en scheiding van tafel en bed, waardoor de strafbaarstelling van overspel niet in ongewijzigde vorm kon worden gehandhaafd. Men zag zich voor de vraag gesteld of de invulling van het klachtvereiste diende te worden aangepast of dat afschaffing van de strafbepaling de voorkeur verdiende. De wetgever kiest voor afschaffing, waarbij erop wordt gewezen dat het reeds bij vaststelling van het Wetboek van Strafrecht in 1886 een controversiële strafbepaling betrof en dat nadien het draagvlak voor deze strafbaarstelling nagenoeg volledig is verdwenen.4 Dit brengt met zich dat geen nadere beschouwingen zijn gewijd aan een eventuele alternatieve invulling van het klachtvereiste.
Al met al is de strafbaarstelling van overspel in de Nederlandse strafwet geen gelukkig leven beschoren. Daarbij zag de discussie met name op het morele vraagstuk of dit handelen door de strafwet zou moeten worden gesanctioneerd. Dit blijkt ook doordat de regering bij afschaffing van de strafbaarstelling van overspel expliciet benadrukt ‘dat deze conclusie uitsluitend de strafbaarheid van overspel raakt, en niet het morele oordeel daarover’.5 Waar veel discussie bestond over de moraliteit en strafbaarheid van overspel, bestond minder discussie over de vraag of hieraan – in geval van strafbaarstelling – een klachtvereiste zou moeten worden verbonden. In het parlement was sprake van consensus dat vervolging op klacht te verkiezen was boven ambtshalve vervolging.6 In de afschaffing van overspel ligt dus geen oordeel over (het nut van) klachtdelicten besloten. De afschaffing van deze strafbepaling in 1971 is ingegeven door de (on)wenselijkheid van het strafbaar stellen van alleen moreel laakbaar geacht gedrag.