Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.2.3
1.2.3 Nadere afbakening van onderzoeksterrein
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715368:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover bijvoorbeeld: Keulen 2014, p. 230-239; Prakken & Roef 2004, p. 246-268. Zie ook: De Jong 2021, p. 685-686.
Keulen 2014, p. 197. De strafbaarstelling van voorfasedelicten kan zelfs de opsporing van het voltooide delict vereenvoudigen, nu voor de inzet van allerlei opsporingsbevoegdheden niet langer verdenking van het voltooide misdrijf nodig is, maar ook een verdenking van voorbereiding daarvan kan volstaan (Reijntjes 1977, p. 418-419).
Bemelmans 2017, p. 125; Keulen 2014, p. 198; Buruma 2007, p. 29. Husak merkt ook terecht op dat de onschuldpresumptie weinig toegevoegde waarde heeft als de staat onbeperkt gedrag strafbaar mag stellen (Husak 1995, p. 153).
Garvey 2011, p. 176. Zie over die laatste vraag: De Jong 2022, p. 272-276; Van Kempen 2022, p. 399-400; Van Kempen 2019b, p. 789-790.
Strijards 1995, p. 84; Keijzer 1983, p. 69-72; Van Veen 1988, p. 3.
Ter Brake 1986, p. 153, 382-383 en 584-585.
Vóór 1994 kon nog worden volgehouden dat die hoofdregel enkel gold voor poging en dat de gemeentelijke wetgever voorbereidingshandelingen wél strafbaar kon stellen, maar sinds de invoering van artikel 46 Sr heeft dat argument mijns inziens in belangrijke mate aan kracht verloren. Zie ook: Strijards 1995, p. 84. Anders: Ter Brake 1986, p. 155.
Zie bijvoorbeeld: HR 7 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB9839, NJ 1978/483.
Strijards 1995, p. 84; Van Veen 1988, p. 3.
Zie daarover bijvoorbeeld: Keijzer 1982, p. 68-71.
Keulen 2014, p. 198.
Uit de genoemde onderzoeksvraag blijkt al dat dit onderzoek materieelrechtelijk van aard is. Strafbaarstellingen in de voorfase roepen daarnaast ook niet onbelangrijke procesrechtelijke vragen op.1 Voorfasedelicten kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor de inzet van allerlei strafvorderlijke bevoegdheden, zoals de aanhouding of inverzekeringstelling van de (potentiële) dader voordat hij een misdrijf kan plegen en het in beslag nemen van de middelen waarmee hij dat zou (kunnen) doen.2 Ook roept strafbaarheid in de voorfase belangrijke bewijsrechtelijke vragen op. Denk aan het gebruik van informatie van inlichtingendiensten, bewijspresumpties en andere constructies waarmee de bewijslast lijkt te worden omgekeerd.
Dergelijke ontwikkelingen kunnen op gespannen voet staan met fundamentele procesrechtelijke beginselen, zoals de onschuldpresumptie.3 Dit proefschrift beperkt zich echter tot materieelrechtelijke vraagstukken. Een materieelrechtelijke invalshoek bij dit onderwerp roept namelijk wezenlijk andere, fundamentelere vragen op dan een procesrechtelijke. Zelfs als het belang van preventie bijvoorbeeld de inzet van bepaalde opsporingsbevoegdheden zou rechtvaardigen, wil dat immers nog niet zeggen dat preventie ook het opleggen van punitieve sancties rechtvaardigt, nog los van de meer fundamentele vraag of een procesrechtelijk belang op zichzelf al als rechtvaardiging kan en mag fungeren voor strafbaarstelling.4
Naast de beperking tot materieelrechtelijke vraagstukken, beperkt dit proefschrift zich ook tot wetgeving op nationaal niveau. Dat neemt niet weg dat ook op decentraal niveau veel voorfasehandelingen strafbaar worden gesteld. Zo is te wijzen op gemeentelijke APV-bepalingen die het voorhanden hebben van inbrekerswerktuig of plakmateriaal strafbaar stellen.5 Ook dergelijke APV-bepalingen roepen interessante en zeer principiële vragen op als het gaat om de grenzen van het strafrecht in de voorfase. Niet voor niets duidt Ter Brake dergelijke bepalingen als ‘worgwetgeving’ en ‘wetstechnische monstra’ die zo snel mogelijk uit het gemeentestrafrecht dienen te worden geschrapt.6 Door voorfasegedragingen zelfstandig strafbaar te stellen, omzeilt de gemeentelijke wetgever namelijk in wezen het uitgangspunt dat de voorfase van overtredingen niet strafbaar is.7 De Hoge Raad gaat tot dusver echter – met een mijns inziens overigens nogal formalistische redenering – met dergelijke bepalingen akkoord.8 Het genoemde uitgangspunt zou namelijk enkel opgaan voor de algemene pogings- en voorbereidingsregeling, zodat de gemeentelijke wetgever voorfasedelicten wel zelfstandig strafbaar mag stellen.9
Hoewel dit interessante problematiek is, laat ik in dit proefschrift voorfasedelicten in lagere wetgeving zo goed als volledig buiten beschouwing.10 Enerzijds gaat het hier namelijk om specialistische problematiek met geheel eigen kenmerken, waarin ook de verhouding tussen centrale en decentrale overheden een rol speelt. Er is binnen het bestek van dit proefschrift eenvoudigweg te weinig ruimte om deze kenmerken voldoende tot hun recht te laten komen. Anderzijds is het ook maar zeer de vraag of die kenmerken in het kader van het onderhavige onderzoek uiteindelijk tot wezenlijk andere conclusies zouden leiden. Het lijkt mij op het eerste gezicht niet onaannemelijk dat veel conclusies over de grenzen die strafrechtelijke beginselen aan het commune strafrecht stellen ook zullen gelden in bijvoorbeeld het gemeentestrafrecht.
Om diezelfde redenen richt ik mij primair op voorfasedelicten in het Wetboek van Strafrecht. Ook de bijzondere strafwetten kennen immers tot op zekere hoogte een geheel eigen dynamiek, die mogelijk de werking van de te behandelen beginselen kan beïnvloeden. Tegelijkertijd is het op voorhand twijfelachtig of die dynamiek relevant zal zijn voor de uitkomsten van het onderzoek. Hoewel ook in ordeningswetgeving – zoals het verkeersstrafrecht, het economisch strafrecht en het milieustrafrecht – de preventieve functie van het strafrecht een grote rol speelt, blijven deze wetten dus grotendeels buiten beschouwing.11 Wel komen, met name vanwege hun historische belang bij de opkomst van strafbaarstellingen in de voorfase, de Opiumwet, de Wet Wapens en Munitie en het Wetboek van Militair Strafrecht regelmatig bij wijze van illustratie aan bod.