Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/3.6.1
3.6.1 Inleiding
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713192:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sieburgh 2017, p. 496-497. Hiervan moet het geval worden onderscheiden dat het gedrag van een functionaris niet aan de collectiviteit als eigen gedraging kan worden toegerekend, maar waarvoor de collectiviteit wel aansprakelijk is op grond van art. 6:170 BW. Zie ook: Klaassen 2000, p. 1.
Sieburgh 2017, p. 496-497.
Dit insolventierisico overigens nuancerend: Klaassen 2000, p. 21.
Sieburgh 2017, p. 514.
Deze discussie is weer opgelaaid naar aanleiding van: HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, NJ 2016/66, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2015/289, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Breeweg/Wijnkamp c.s.). Zie hierover: Hartlief 2022, p. 340, 358. Eerder ook al: Sieburgh 2017, p. 514-515. Vgl. Hartlief 2016, p. 53-54. Of immuniteiten of verzwaarde drempels van aansprakelijkheid voor bepaalde uitvoerende functionarissen binnen het huidige systeem passen en/of wenselijk zijn, is een vraag die buiten het bestek van dit proefschrift ligt. Ook de verhouding tot het regresrecht van art. 6:170 lid 3 BW laat ik buiten beschouwing.
Hoofdstuk 5 gaat in op deze vraag.
In het volgende hoofdstuk ga ik nader in op deze vraag.
In de vorige paragrafen is aangegeven dat de rechtspersoon zelf een daad kan verrichten en dader kan zijn in de zin van art. 6:162 BW. De verklaring voor het daderschap van de rechtspersoon moet gevonden worden in het juridisch handelingsbegrip en, in het verlengde daarvan, het juridisch daderschapsbegrip. Het Babbel-criterium dient ter invulling van het juridisch daderschapsbegrip van de rechtspersoon. Hiermee is de kous niet af. De vraag rijst hoe het juridisch daderschap van de rechtspersoon zich verhoudt tot het juridisch daderschap van de functionaris. Meer specifiek gaat het om de vraag of ‘daderschapsverdubbeling’ mogelijk is. Onder ‘daderschapsverdubbeling’ wordt verstaan dat een fysieke gedraging van een fysiek verrichter tegelijkertijd als juridische gedraging van de fysiek verrichter én als juridische gedraging van de rechtspersoon heeft te gelden.1 Met andere woorden, een en dezelfde fysieke gedraging leidt tot een juridische gedraging, waarvan twee personen als juridisch dader zijn aan te merken.
Aan daderschapsverdubbeling wordt in de rechtspraak weinig aandacht besteed.2 Toch is deze vraag wel van belang. Ten eerste heeft de gelaedeerde er praktisch belang bij te weten op wie hij zijn pijlen moet richten: de rechtspersoon, de functionaris of allebei? Zeker in het geval dat de rechtspersoon insolvabel blijkt te zijn, is het relevant om te weten of de functionaris kan worden aangesproken (voor dezelfde juridische gedraging).3 Ook voor de rechter is het van belang te weten welke norm geldt voor het vaststellen van het daderschap.4 Ten tweede is het vanuit wetgevend perspectief relevant om te weten of daderschapsverdubbeling kan optreden, gelet op de (aanhoudende) roep om immuniteiten of verhoogde drempels voor aansprakelijkheid voor uitvoerende werknemers, beroepsbeoefenaars en bestuurders.5 Ten derde bestaat een theoretisch belang. Indien daderschapsverdubbeling bestaat, zou dit betekenen dat er geen onderscheid is tussen het daderschapscriterium voor rechtspersonen en het daderschapscriterium voor natuurlijke personen. De invloed van de hoedanigheid van ondernemer op het daads- en het daderschapscriterium zou in dat geval verwaarloosbaar zijn. Indien daderschapsverdubbeling niet optreedt, zou dit impliceren dat – althans theoretisch – een onderscheid bestaat tussen het daderschapscriterium van rechtspersonen en het daderschapscriterium van natuurlijke personen. Dit zou de vraag oproepen op welke wijze deze criteria verschillen.6 Daarenboven zou de vraag rijzen of voor het vaststellen van het daderschap wel moet worden aangeknoopt bij het fysieke handelen van een functionaris.7 Het onderzoek naar daderschapsverdubbeling vormt aldus een tussenstap in het verdere betoog.