Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/8.3
8.3 Finale kwijting
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447320:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. Ktg. Gouda 9 juli 1998, JOR1999/67; Ktg. Apeldoorn 20 november 1996, Prg. 1997, 4823 en Ktg. Delft 7 december 1995, Prg. 1996, 4541.
Zie paragraaf 6.8.
In gelijke zin Wessels, diss. (1988), p. 160 e.v.
De betekenis van 'finale kwijting' is derhalve een kwestie van uitleg: zie HR13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex).
De verschillen tussen een buitengerechtelijke regeling en een akkoord komen hier pregnanter naar voren. De eerste is onderhevig aan de regels van het algemene vermogens- en verbintenissenrecht en zal door uitleg moeten blijken wat partijen met 'finale kwijting' hebben bedoeld. Daarentegen kan over finale kwijting bij een akkoord in zijn algemeenheid worden gezegd, dat de restantvorderingen overblijven als natuurlijke verbintenissen, omdat dit dwingend uit het systeem van de wet voortvloeit. Zie nader paragraaf 6.8.
Vgl. Van der Heijden, Het akkoord buiten faillissement en surseance van betaling, NTBR 1994/7, p. 141 e.v.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 32.
Kwijtschelding als synoniem voor afstand om niet in de zin van art. 6:160 BW.
Zie onder meer Tjittes, Afstand van Recht, Monografieën Nieuw BW, p. 44 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 312 e.v.
Vgl art. 6:3 BW en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 37.
Ik vraag mij overigens af of de schuldeisers hierover voldoende worden geïnformeerd.
Zie onder meer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 80 e.v. en Wessels, diss. (1988), p. 356 e.v.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 80.
Zie echter paragraaf 6.9, waarin ik aanneem dat art. 6:131 BW naar analogie kan worden toegepast.
HR 31 januari 1992, NJ 1992, 686 (Van der Hoeven/Comtu).
Zie paragraaf 6.9. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 80 e.v.
De afspraken die partijen met elkaar overeenkomen in een buitengerechtelijke regeling, worden dikwijls als volgt geformuleerd:
"De schuldenaar betaalt aan ieder van zijn voornoemde schuldeisers een percentage van... % van hun voormelde vorderingen, waartegen die schuldeisers bij ontvangst van hun percenten aan de schuldenaar voor het onbetaald gebleven gedeelte van hun vorderingen algehele en volledige kwijting en décharge verlenen."1
Wat betekenen de woorden 'finale/volledige kwijting' in een buitengerechtelijke regeling? Voor de wettelijke akkoorden is de betekenis van voornoemde woorden duidelijk: algemeen wordt immers aangenomen dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingen van rechtswege overblijven als natuurlijke verbintenissen.2
De vraag of het voorgaande in zijn algemeenheid ook geldt voor buitengerechtelijke regelingen, dient ontkennend te worden beantwoord. De betekenis van 'finale kwijting' in een buitengerechtelijke regeling hangt af van het antwoord op de vraag wat partijen op dit punt met elkaar zijn overeengekomen. Dit betekent dat anders dan bij de wettelijke akkoorden op voorgaande vraag geen algemeen antwoord is te geven, zodat de vraag naar de betekenis van 'finale kwijting' voor elke buitengerechtelijke regeling afzonderlijk dient te worden onderzocht.3 De betekenis van 'finale kwijting' in een buitengerechtelijke regeling is met andere woorden afhankelijk van de bedoeling van partijen en dient aan de hand van uitleg van de overeenkomst te worden bepaald.4
Nu voor elke buitengerechtelijke regeling de woorden 'finale kwijting' nader moeten worden uitgelegd, zijn er ten aanzien van die uitleg twee mogelijkheden, afhankelijk van wat er door de schuldeisers wordt opgegeven.5 Hierbij dient ten aanzien van de rechtsbetrekking tussen schuldeiser en schuldenaar aan de zijde van de schuldeiser een onderscheid te worden gemaakt tussen:6
-het vorderingsrecht/het materiële recht (het recht op prestatie, de aanspraak);
-de bevoegdheid om dat recht geldend te maken (ius agendi);
de rechtsvordering (het processuele middel om die bevoegdheid uit te oefenen).7
Indien een schuldeiser afstand zou doen van alledrie de hierboven genoemde onderdelen, dan is ten aanzien van het niet-voldane gedeelte van de vordering sprake van een kwijtschelding in de zin van art. 6:160 BW.8 De verbintenis van de schuldeiser jegens de schuldenaar gaat hiermee teniet.9 Wordt daarentegen door de schuldeiser met betrekking tot het niet-voldane gedeel te van de vordering slechts afstand gedaan van het ius agendi en de rechtsvordering, dan gaat de verbintenis niet verloren. De schuldeiser heeft immers slechts afstand gedaan van zijn bevoegdheid het vorderingsrecht geldend te kunnen maken. Het vorderingsrecht zelf is intact gebleven, maar de schuldeiser heeft niet langer recht van verhaal op het vermogen van de schuldenaar. Het vorderingsrecht van de schuldeiser is met andere woorden niet meer afdwingbaar, er resteert in dat geval slechts een natuurlijke verbintenis.10 De vraag of in het concrete geval sprake is van kwijtschelding van het niet-voldane gedeelte van het vorderingsrecht of dat de restantvordering overblijft als een natuurlijke verbintenis, is overigens niet zonder betekenis.11 Aan het bestaan van een natuurlijke verbintenis is een aantal specifieke gevolgen verbonden.12 Zo levert voldoening aan een natuurlijke verbintenis door de schuldenaar geen actie op uit onverschuldigde betaling. Immers, de schuldenaar die het akkoord is nagekomen en die alsnog de restantvordering voldoet, heeft deze betaling niet zonder rechtsgrond verricht. Voorts is een natuurlijke schuldeiser in beginsel niet langer tot verrekening bevoegd. In art. 6:127 lid 2 BW wordt onder meer als vereiste gesteld dat de vordering afdwingbaar dient te zijn.13 Zoals hiervoor is opgemerkt, wordt aan een natuurlijke verbintenis juist de afdwingbaarheid onthouden.14 Uit het eerder besproken arrest van de Hoge Raad van 31 januari 199215 kan echter worden opgemaakt dat onder bijzondere omstandigheden een uitzondering wordt gemaakt voor de 'natuurlijke schuldeiser'. Een beroep door een 'natuurlijke schuldeiser' op verrekening werd door de Hoge Raad toegestaan, onder meer op de grond dat de vorderingen voortvloeiden uit dezelfde rechtsverhouding.16 In dat geval betrof het een faillissementsakkoord. Een en ander zou evengoed verdedigbaar kunnen zijn voor een buitengerechtelijke regeling.