Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.2.1
4.2.1 Dezelfde rechtsverhouding
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950275:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 209.
Ook in Boek 3 BW komt het begrip ‘rechtsverhouding’ voor, zie bijv. art. 3:302 BW. Evenmin is bij dat artikel toegelicht wat onder een rechtsverhouding wordt verstaan (zie hierover Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/25).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 584.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 584.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 584.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 585. Met ‘kernbedingen’ wordt gedoeld op bedingen die de kern van de prestaties aangeven (vgl. art. 6:231 aanhef en onder sub a BW). De Hoge Raad heeft overwogen dat dit begrip zo beperkt mogelijk moet worden opgevat, ‘waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat ‘kernbedingen’ veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (MvT II, Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1521). Voor de vaststelling van wat daaronder moet worden verstaan is dan ook niet bepalend of het beding in kwestie een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt, maar of het van zo wezenlijke betekenis is dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn (MvA II, Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1527)’. (HR 19 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2435, NJ 1998/6 (Assoud/De Nationale Sporttotalisator), r.o. 3.4.2.) Opgemerkt zij dat het essentieel recht op de koopprijs niet inhoudt dat de omvang van de koopprijs moet zijn overeengekomen. De omvang van de koopprijs is immers geen essentiale van de koopovereenkomst en dus geen kernbeding (vgl. art. 7:4 BW).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 586. Cursivering in het origineel.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 584 en 585-586.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 584 en 586.
Zie ook Van Apeldoorn/Rinkes e.a. 2009, p. 5-6 en ook p. 80 en 81. Vgl. evenzo voor de Duitse ‘Rechtsverhältnis’ MüKoBGB/Habersack 2020, BGB § 779 Rn. 3 en Palandt/Sprau 2019, BGB § 779, Rn. 5. Zie over het onderscheid tussen het objectieve en subjectieve recht Van Apeldoorn/Rinkes e.a. 2009, p. 65 e.v. en p. 80 e.v. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/6, die een verbintenis en rechtsbetrekking beschouwt als ‘een door het recht erkende en geregelde verhouding’.
Broese van Groenou, De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.1.1.
Vgl. MüKoBGB/Habersack 2020 BGB § 779 Rn. 4.
De wetgever hield voor mogelijk dat partijen bij wijze van vaststelling overeenkomen ‘dat tussen partijen juist in het geheel geen bijzondere rechtsverhouding bestaat’. Reden waarom het voorwerp van geschil of de onzekerheid in art. 7:900 lid 1 BW niet een rechtsverhouding is (zie de Toelichting op het voorontwerp van Boek 7 BW, art. 7.15.1, p. 1135). Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/134.
Zie over de negatieve verklaring voor recht Groeneveld-Tijssens, De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/13. Zie bijv. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, NJ 2019/238, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai.
Zie ook Van Apeldoorn/Rinkes e.a. 2009, p. 5.
Zie over de verhouding tussen een persoon en een zaak ook Broese van Groenou, De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.1.1 en Van Apeldoorn/Rinkes e.a. 2009, p. 82. Zie over de niet door het recht beheerste verhoudingen ook § 3.3.3, slot, en de daarin genoemde voorbeelden.
Deze paragraaf gaat in op de vraag wat een rechtsverhouding is. Een rechtsverhouding is een betrekking tussen dragers van subjectieve rechten en plichten, die wordt beheerst door het objectieve recht. Dat is een breed en nauwelijks begrensd begrip, dat zijn begrenzing vooral kan ontlenen aan wat het niet is.
Het BW zelf biedt weinig aanknopingspunten voor een antwoord op de vraag wanneer sprake is van een rechtsverhouding. In de wetsgeschiedenis bij de algemene opschortingsregeling licht de wetgever het begrip ‘rechtsverhouding’ evenmin toe. De wetgever geeft ter toelichting op het begrip ‘dezelfde rechtsverhouding’ wel voorbeelden.1 In elf artikelen van Boek 6 BW wordt het begrip ‘rechtsverhouding’ gebruikt.2 Bij geen van deze artikelen is in de parlementaire geschiedenis een toelichting op dat begrip gegeven.3
Uit de wetstekst van artikel 6:159 lid 1 BW en de toelichting daarop zou wel een definitie van het begrip ‘rechtsverhouding’ kunnen worden afgeleid. Dit artikellid bepaalt dat een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste kan overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Volgens de wetgever houdt artikel 6:159 BW een regeling in voor ‘de contractsoverneming’.4 Contractsoverneming is ‘de rechtshandeling waarbij een partij [bij] een (obligatoire) overeenkomst haar gehele rechtsverhouding tot de wederpartij onder bijzondere titel doet overgaan op een derde, die daarmee contractspartner van de wederpartij wordt’.5 Door contractsoverneming draagt een partij bij een overeenkomst haar gehele rechtspositie als partij bij die overeenkomst over.6 Uit de toelichting is af te leiden dat de overdracht van de rechtspositie leidt tot het door de overnemende derde verkrijgen van alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit of verband houden met de overeenkomst, waaronder essentiële rechten en verplichtingen en nevenrechten en nevenverplichtingen. Onder essentiële rechten en verplichtingen worden bijvoorbeeld verstaan kernbedingen, zoals het recht op de gekochte zaak en het recht op de koopprijs, en wilsrechten, zoals de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden of te vernietigen.7 De overdracht van essentiële rechten en verplichtingen is constitutief voor contractsoverneming. Voor zover partijen essentiële rechten of verplichtingen van de overgang wensen uit te sluiten, beogen zij volgens de wetgever geen ‘rechtsverhouding’ over te dragen, maar afzonderlijke rechten en verplichtingen.8 De overgang van afzonderlijke rechten en verplichtingen uit een overeenkomst kan worden bewerkstelligd door cessie (art. 3:94 BW) en schuldoverneming (art. 6:155 BW).9 In de overdracht aan een derde van de rechtspositie als partij bij een overeenkomst verschilt contractsoverneming van cessie en schuldoverneming.10
In zowel de wetstekst van artikel 6:159 BW als in de toelichting daarop is onderscheid gemaakt tussen ‘overeenkomst’ en ‘rechtsverhouding’. De overeenkomst zou kunnen worden beschouwd als het geheel van rechten en plichten van de partijen bij een overeenkomst, die hun oorsprong hebben in die overeenkomst en die door middel van cessie of schuldoverneming kunnen overgaan op een derde. Met de rechtsverhouding lijkt de wetgever het oog te hebben op het geheel van rechten en plichten voor de partijen bij een overeenkomst, die voortvloeien uit of verband houden met die overeenkomst of het zijn van partij bij die overeenkomst. Voor het bestaan van een rechtsverhouding is een overeenkomst geen vereiste. In algemenere zin is een rechtsverhouding het geheel van rechten en plichten voor partijen, die voortvloeien uit of verband houden met dezelfde oorzaak.
In een nog abstractere definiëring betreft een rechtsverhouding een betrekking tussen dragers van subjectieve rechten en plichten, die wordt beheerst door het objectieve recht.11 Broese van Groenou lijkt uit te gaan van een beperktere opvatting van de rechtsverhouding, waar zij deze kwalificeert als de betrekking tussen twee of meer rechtssubjecten waaraan door het objectieve recht bepaalde rechtsgevolgen worden verbonden.12 Een betrekking tussen rechtssubjecten kan echter ook door het recht worden beheerst zonder dat daaraan rechtsgevolgen worden verbonden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het geval waarin het in geschil of onzeker is of tussen partijen een rechtsverhouding bestaat.13 Dat geval wordt door het recht beheerst, maar daaraan zijn niet noodzakelijkerwijs rechtsgevolgen verbonden. De uitkomst kan zijn dat tussen partijen niet de rechtsverhouding bestaat die tussen hen in geschil is of waarover onzekerheid bestaat.14 Houben & Van Schaick achten het ‘praktisch nauwelijks denkbaar dat tussen partijen onzekerheid zou bestaan over hun rechtsposities ten aanzien van het voorwerp van hun meningsverschil terwijl er tussen hen geen rechtsverhouding zou bestaan’.15 Zij noemen daarbij onder andere het voorbeeld van afgebroken onderhandelingen, waarbij tussen partijen in geschil is of reeds over de essentialia van de onderhandelde overeenkomst overeenstemming is bereikt of dat de onderhandelingen zonder meer mochten worden afgebroken. Dit voorwerp van geschil of de onzekerheid is in het kader van een rechtsverhouding ontstaan.16 Dit spreekt mij aan. Aan de hand van het objectieve recht wordt onderzocht of de rechtssubjecten in het concrete geval dragers van subjectieve rechten en plichten zijn. In het voorbeeld betreft dit de vraag of de onderhandelingen zonder meer mochten worden afgebroken. Wanneer de onderhandelingen zonder meer mochten worden afgebroken, dragen de partijen niet daarom subjectieve rechten en plichten jegens elkaar en bestaat tussen partijen niet de rechtsverhouding die voorwerp van geschil of onzekerheid is (bijv. een gesteld onderhandelingsresultaat of schadevergoedingsplichten wegens onrechtmatig afgebroken onderhandelingen). De afgebroken onderhandelingen tussen partijen worden als zodanig dan wel door het objectieve recht erkend, maar hebben niet tot rechtsgevolg dat partijen vanwege die onderhandelingen jegens elkaar rechten en plichten hebben. Partijen kunnen ook een zogenoemde negatieve verklaring voor recht vorderen dat zij jegens elkaar geen rechten en plichten hebben.17
Rechtsverhouding is een breed begrip, dat nauwelijks begrenzing kent.18 Misschien is de beste begrenzing van dat begrip wel te vinden in wat een rechtsverhouding niet is. De betrekking tussen dragers van subjectieve rechten en plichten die wordt beheerst door het objectieve recht, sluit immers de verhoudingen tussen een persoon en een zaak en de verhoudingen die niet door het recht worden beheerst, uit.19