Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.7.4
7.7.5.7.4 Kennisgeving indien niet meer wordt voldaan aan 90%-eis
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291530:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk diende de huurder de kennisgeving uitsluitend toe te zenden aan de verhuurder (ministeriële regeling van 22 december 1995, nr. WV95/891M, Scrt. 1995, 250, V-N 1996/318, 33). Bij ministeriële regeling van 4 juli 1996, nr. WV 96/217 M, Stcrt. 1996, 107, V-N 1996/2358, 20 is met terugwerkende kracht tot 31 maart 1995, 18.00 uur in art. 6a Uitv.besch. OB opgenomen dat een afschrift van deze kennisgeving aan de inspecteur moet worden gezonden.
In gelijke zin: O.L. Mobach, ‘Nieuwe goedkeuringen over optie belaste verhuur’, BTW-bulletin 1998/99.
Vgl. ministeriële regeling van 4 juli 1996, nr. WV 96/217 M, Stcrt. 1996, 107, V-N 1996/2358, 20, onderdeel b, toelichting op Artikel I, onderdeel f.
K.F.H. van Lierop, ‘Optie belaste verhuur toch geldig als niet aan de optievoorwaarden wordt voldaan?’, BtwBrief 2017/13.
C.A. Peeters, Cursus Belastingrecht OB.2.3.2.D.b2 (online, bijgewerkt t/m 15 februari 2021). Van Lierop lijkt dit over het hoofd te zien, aangezien hij stelt dat ‘als niet voldaan wordt aan de 90%-eis de optie sowieso komt te vervallen’ (K.F.H. van Lierop, ‘Optie belaste verhuur toch geldig als niet aan de optievoorwaarden wordt voldaan?’, BtwBrief 2017/13).
In het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 september 1998, nr. VB98/1920, V-N 1998/42.25 werd goedgekeurd dat deze verklaring achterwege kon blijven indien het niet voldoen aan de 90%-eis er niet toe leidde dat de belaste verhuur eindigde. Deze goedkeuring is vervallen door de intrekking van voormeld besluit bij het besluit 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23. Het is niet duidelijk waarom. Naar mijn mening is het wenselijk om deze goedkeuring weer nieuw leven in te blazen teneinde een ‘onnodige administratieve handeling’ te voorkomen (zie voor deze kwalificatie: Redactie V-N, aantekening bij besluit Staatssecretaris van Financiën 15 september 1998, nr. VB98/1920, V-N 1998/42.25).
O.L. Mobach, ‘Nieuwe goedkeuringen over optie belaste verhuur’, BTW-bulletin 1998/99.
Vgl. conclusie A-G Van Hilten 25 juni 2009, nr. 08/00861, BNB 2010/35, onderdelen 6.3, 6.5 en 6.6 en Van Zadelhoff, noot bij HR 23 oktober 2009, nr. 08/00861, BNB 2010/35.
In art. 19.6 Algemene bepalingen ROZ-model huurovereenkomst kantoorruimte 2015 en art. 20.6 algemene bepalingen ROZ-model huurovereenkomst winkelruimte 2012 (https://roz.nl/roz-modellen/kantoorruimte/algemene-bepalingen-kantoorruimte-2015.pdf en https://roz.nl/roz-modellen/winkelruimte/algemene-bepalingen-winkelruimte-2012.pdf, geraadpleegd 30 december 2020) is opgenomen dat als in enig boekjaar niet aan de 90%-eis wordt voldaan de huurder de plicht heeft om de vereiste verklaring binnen vier weken na afloop van het betreffende boekjaar toe te zenden aan de verhuurder en de fiscus en overigens ook dat.
Vgl. HvJ EG 8 mei 2008, gevoegde zaken C-95/07 en 96/07, V-N 2008/23.20, r.o. 62-64 (Ecotrade) en HvJ EG 21 februari 2008, zaak C-271/06, V-N 2008/11.16, r.o. (Netto Supermarkt). In soortgelijke zin: conclusie A-G Van Hilten 25 juni 2009, nr. 08/00861, BNB 2010/35, onderdelen 6.3, 6.5 en 6.6.
HR 23 oktober 2009, nr. 08/00861, BNB 2010/35, m.nt. Van Zadelhoff.
Art. 19.6 Algemene bepalingen ROZ-model huurovereenkomst kantoorruimte 2015 en art. 20.6 algemene bepalingen ROZ-model huurovereenkomst winkelruimte 2012 (https://roz.nl/roz-modellen/kantoorruimte/algemene-bepalingen-kantoorruimte-2015.pdf en https://roz.nl/roz-modellen/winkelruimte/algemene-bepalingen-winkelruimte-2012.pdf, geraadpleegd 9 mei 2020, 11.30 uur). Zie ook: O.L. Mobach, ‘Nieuwe goedkeuringen over optie belaste verhuur’, BTW-bulletin 1998/99.
De vierde formele voorwaarde is dat de huurder de verhuurder en de inspecteur in enig boekjaar niet (meer) aan de 90%-eis voldoet, hij de huurder hiervan door middel van een door hem ondertekende verklaring op de hoogte moet stellen binnen vier weken na afloop van het betreffende boekjaar. Dit betreft derhalve een kennisgeving. Binnen dezelfde termijn moet de huurder een afschrift van deze verklaring aan de inspecteur zenden.1 Uit (de historie) van art. 6a lid 6 Uitv.besch. OB blijkt niet welke inspecteur bedoeld is. Is dit de inspecteur waaronder de verhuurder of de huurder ressorteert? Omdat het gaat om een verplichting van de huurder, ligt het laatste naar mijn mening het meest voor de hand.2 De strekking van deze formele voorwaarde is dat ‘het voor een goed functioneren van de optieregeling van belang is dat zowel de verhuurder als de fiscus op de hoogte zijn als het gebruik door de huurder niet meer voldoet aan de 90%-eis’.3 Hoewel meerdere lidstaten – Estland, Polen, Roemenië – de formele voorwaarde stellen dat de fiscus van de keuze voor belaste verhuur in kennis wordt gesteld en in Zweden de formele voorwaarde geldt dat de fiscus in kennis wordt gesteld van een wijziging van omstandigheden in de bouwfase (zie paragraaf 7.7.4), is mij niet gebleken dat er ook lidstaten zijn die een kennisgevingsverplichting opleggen aan uitsluitend de huurder.
In de praktijk komt het voor dat de huurder deze verklaring niet (tijdig) toezendt. Indien door het niet (meer) voldoen aan de 90%-eis de belaste verhuur toch al is geëindigd, en dit zal in het gros van de gevallen zo zijn, dan kan de vraag of het niet (tijdig) voldoen aan de kennisgevingsvoorwaarde leidt tot het einde van de belaste verhuur achterwege blijven.4 Uit paragraaf 7.7.5.5.2 volgt echter dat het niet meer voldoen aan de 90%-eis niet altijd leidt tot het einde van de belaste verhuur.5 In die situatie rijst de vraag of enkel het (niet) tijdig aan de verhuurder en de inspecteur melden dat in een boekjaar niet aan de 90%-eis is voldaan ertoe leidt dat de verhuur in dat boekjaar is vrijgesteld.6 Uit art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB volgt dat voor een rechtsgeldige optie voor belaste verhuur vereist is dat ‘de verhuurder én huurder overigens voldoen aan de bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden’. Daaruit is af te leiden dat het antwoord op deze vraag bevestigend luidt.7 Naar mijn mening is het echter onredelijk om het niet-naleven van deze formele voorwaarde door de huurder zonder meer tegen te werpen aan de verhuurder.8 Uit een analogische toepassing van de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake het recht op aftrek en de toepassing van het nultarief zou afgeleid kunnen worden dat als aan de materiële voorwaarde is voldaan, het niet naleven van een formele voorwaarde door de huurder op grond van de beginselen van de fiscale neutraliteit en rechtszekerheid slechts aan de verhuurder mag worden tegengeworpen indien hij onvoldoende zorgvuldig is geweest (bijv. door – in tegenstelling tot hetgeen in de praktijk gebruikelijk is9 – niet met de huurder overeen te komen wanneer en binnen welke termijn de huurder aan deze formele voorwaarde moet voldoen), of indien de verhuurder redelijkerwijs wist of had moeten weten dat de huurder niet meer aan de 90%-eis voldeed.10 Ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad zou afgeleid kunnen worden dat het niet voldoen aan een formele voorwaarde voor belaste verhuur niet zonder meer aan de verhuurder mag worden tegengeworpen indien de verhuurder niets te verwijten valt.11 Voor de verhuurder is het in ieder geval raadzaam en in de praktijk ook gebruikelijk om in de huurovereenkomst op te nemen dat (ook) alle schade die het gevolg is van het niet-naleven van deze formele voorwaarde door de huurder voor rekening komt van de huurder.12