Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.1.4
IV.2.1.4 Kan de hoedanigheid worden gewijzigd?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242873:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/449.
Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/449, onderschrijven het standpunt van Van Olffen.
Dit is mijns inziens niet anders wanneer de bevoegdheid tot benoeming van een of meer bestuurders bij een BV op grond van een statutaire regeling bij een soort- of aanduidingsvergadering ligt. Hoewel de algemene vergadering in dat geval niet bevoegd is alle bestuurders te benoemen, is zij volgens mij als overkoepelend orgaan van alle soort- en aanduidingsvergaderingen wél bevoegd de hoedanigheid van de bestuurders te wijzigen. De reden is dat de bevoegdheid tot wijziging van de hoedanigheid van de bestuurders niet gekoppeld is aan de bevoegdheid tot benoeming. De algemene vergadering is uiteraard niet bevoegd de hoedanigheid van de bestuurders te wijzigen wanneer de vennootschap het structuurregime hanteert. In dat geval is zij immers niet bevoegd de uitvoerende bestuurders te benoemen, zie art. 2:164a/274a lid 2 BW. Dat zou overigens ook uitermate onwenselijk zijn. Als de algemene vergadering de hoedanigheid van de bestuurders van structuurvennootschappen zou kunnen wijzigen, zou zij via die weg alsnog de samenstelling van het uitvoerende deel van het bestuur kunnen beïnvloeden.
Als de statuten zwijgen, dient – in de woorden van Assink – een ‘rechtspolitieke keuze’ te worden gemaakt, zie Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.8, p. 778. Aangezien de algemene vergadering in dit geval gaat over het bepalen van de hoedanigheid van de bestuurders, acht ik de algemene vergadering eerder bevoegd tot het wijzigen van de hoedanigheid van de bestuurders dan het bestuur.
De wet bevat geen sluitende regeling voor het bepalen van de hoedanigheid van de bestuurders. Een regeling omtrent het wijzigen van de hoedanigheid van de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders ontbreekt geheel. Betekent dit dat de hoedanigheid van de bestuurders niet kan worden gewijzigd?
Uit art. 2:132 lid 1 BW volgt dat de algemene vergadering de hoedanigheid van de bestuurders van een NV bepaalt. Volgens art. 2:242 lid 1 BW geschiedt de vaststelling van de hoedanigheid van de bestuurders van een BV ‘bij de benoeming’. Naar de letter van de wet lijkt een bestuurder dus te moeten aftreden alvorens hij in een andere hoedanigheid kan worden benoemd.1 Om onzekerheid bij de terugtredende bestuurder te voorkomen, kan het tot benoeming bevoegde orgaan de zittende bestuurder alvast in een andere hoedanigheid benoemen onder de opschortende voorwaarde dat hij aftreedt.
Volgens Van Olffen kan het wijzigen van de hoedanigheid ook via een andere weg geschieden. Hij stelt dat de statuten de bevoegdheid tot wijziging van de hoedanigheid van de bestuurders bij de algemene vergadering kunnen leggen.2 Het standpunt van Van Olffen spreekt aan. Als de benoeming van zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuurders door de algemene vergadering geschiedt, waarom zou een bestuurder dan moeten terugtreden voordat hij in een andere hoedanigheid kan worden benoemd?3 Ik zie evenwel niet in waarom een statutaire basis noodzakelijk is. De bevoegdheid van de algemene vergadering tot wijziging van de hoedanigheid van de bestuurders kan mijns inziens op art. 2:107/217 lid 1 BW worden gebaseerd. Een statutaire grondslag is daarvoor niet vereist.4 Tegen deze achtergrond meen ik net als Van Solinge en Nieuwe Weme dat een besluit van de algemene vergadering tot wijziging van de hoedanigheid volstaat.5