Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.3.5
4.3.5 Jury- en lekenrechtspraak
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS500986:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor uitgebreide beschouwingen over de wenselijkheid van lekenrechtspraak reeds de Handelingen der Nederlandse Juristen-Vereniging 1908, ’s-Gravenhage: Belinfante, ‘Verdient het aanbeveling, het leekenelement aan de rechtspraak (strafproces, burgerlijk proces, administratief proces) te doen deelnemen?’, Preadviezen van J.A. van Hamel, Handelingen I, p. 1-87 en J.A. Levy, Handelingen I, p. 193-519. Ook in de jurisprudentie van het EHRM is herhaaldelijk opgemerkt dat deelname van leken aan de rechtspraak vanuit het oogpunt van hun deskundigheid wenselijk kan zijn (zie o.m. Langborger, EHRM 23 mei 1989, Serie A, 155).
Deze definitie is ontleend aan het eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 247.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 18 (Nng, deel 23, p. 22). Sinds 1922 is deelname van leken aan de (aanvankelijk enkel burgerlijke) rechtspraak grondwettelijk geregeld (art. 156 Gw 1922). Het woord ‘mede’ werd ook destijds al opgenomen in de grondwetsbepaling om zuivere juryrechtspraak uit te sluiten. De bepaling had in het oorspronkelijke regeringsvoorstel namelijk tevens betrekking op de strafrechtspraak. De strafrechtspraak kwam als gevolg van een amendement echter in het uiteindelijke grondwetsartikel te vervallen. Overigens is verdedigd dat de Grondwet tot 1983 juryrechtspraak wel degelijk toeliet, gezien de omstandigheid dat de poenale jurisdictie tot dan niet in de Grondwet verankerd was (zie Eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 247, voetnoot 1).
Zie Bovend’Eert 2008, p. 119; P.P.T. Bovend’Eert, ‘Jury- en lekenrechtspraak in een vergelijkend perspectief’, in: P.P.T Bovend’Eert, J.W.A. Fleuren & H.R.B.M. Kummeling (red.), Grensverleggend staatsrecht. Opstellen aangeboden aan prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Deventer: Kluwer 2001, p. 1-22, op p. 16.
Eindrapport staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 248.
M.W. van Boven, De rechterlijke instellingen ter discussie. De geschiedenis van de wetgeving op de rechterlijke organisatie in de periode 1795-1811, diss. Nijmegen, Gerard Noodt Instituut Nijmegen 1990, p. 269.
Th.G.M. Simons, De rechterlijke organisatie in Nederland, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 73.
Kamerstukken II 1990/91, 21 967, nr. 6.
Kamerstukken II 1990/91, 21 967, nr. 6, p. 15 (opvatting van de Kroonleden van de SER, waar het kabinet zich bij heeft aangesloten). Zie ook Janssen & Croes, WODC 2005, § 2.1.5.
Deze bijzondere rechterlijke instanties hebben elk hun eigen reglement waarin zaken als benoeming (bij KB), beëdiging, installatie en vergoedingen zijn geregeld. Zie Bovend’Eert 2008, p. 117, voetnoot 248.
Kamerstukken II 1990/91, 21 967, nr. 6. Zie ook Simons 1996, p. 72-73.
Zie onder meer Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 66, alsmede het Herstelplan voor een betrouwbare en open rechtsstaat (LPF november 2005).
Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI/29 279, nr. 120 (brief van 23 februari 2006).
Th.A. de Roos, Is de invoering van lekenrechtspraak in de Nederlandse strafrechtspleging gewenst?, Tilburg, november 2006. Het rapport is op <www.rechtspraak.nl> te raadplegen. Zie ook ‘Grotere rol voor leken in rechtbank bepleit’, NRC Handelsblad 22 april 2006.
Kamerstukken II 2006/07, 30 800 VI, nr. 118, p. 2.
Zie naast het onderzoek van prof. De Roos ook de volgende publicaties: Raad voor de rechtspraak, ‘Leken en rechtspraak: moet, mag en wil de burger meedoen?’, Rechtstreeks 2007, nr. 1; P.J.P. Tak, Rechters zonder Toga: over lekenrechters en lekenrechtspraak in Europa, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2006; S.H.E. Janssen & M.T. Croes, Niet-rechterlijke actoren in de rechtspraak van Nederland, Denemarken en Duitsland, Den Haag: WODC 2005-18; P.J.P. Tak & J.P.S. Fiselier, Denemarken–Nederland: de rechtspleging vergeleken, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004, en het lopende onderzoeksproject ‘De inbreng van leken in de rechtspraak’ o.l.v. Malsch & De Hert (Universiteit Leiden) van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.
Bovend’Eert 2008, p. 119.
Artikel 116, derde lid, Gw vormt de grondslag voor deelname van leken aan de rechtspraak door de rechterlijke macht. De wetgever kan vaststellen dat personen die niet behoren tot de rechterlijke macht mede deelnemen aan rechtspraak door de rechterlijke macht. Spelen eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid een rol bij de vraag welke personen zitting kunnen hebben in een gerecht (dat behoort tot de rechterlijke macht)? In een aantal gevallen is het gewenst dat leken, vanwege hun specifieke deskundigheid, deelnemen aan de rechtspraak van gewone gerechten.1 Maar nog vaker is de inzet van leken vanwege hun deskundigheid of representatie van bepaalde groepen waar te nemen bij een aantal bijzondere gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren, zoals tuchtgerechten. De Grondwet laat zich daar verder niet over uit.
Er is een onderscheid te maken tussen deelname van gewone burgers als leken en deelname van deskundigen als leken aan de rechtspraak. Juryrechtspraak is in feite een vorm van lekenrechtspraak in de strafrechtspraak. In de grondwetsgeschiedenis van art. 116, derde lid, Gw is over de participatie van leken in de rechtspraak in algemene zin weinig gezegd. Het commentaar van de regering bij de grondwetsherziening van 1983 zag vooral op de (on)wenselijkheid van juryrechtspraak. Met juryrechtspraak is in dit geval bedoeld een stelsel, volgens welk een (geheel) uit de burgerij gerekruteerd college zelfstandig een beslissing neemt.2 Heel bewust is – in navolging van de staatscommissie – gekozen voor behoud van de formulering dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren. Hiermee is beoogd de mogelijkheid van zuivere juryrechtspraak uit te sluiten, zoals dat ook al het geval was onder de oude Grondwet.3 Ter motivering verwijst de regering naar het eindrapport van de staatscommissie, waarin een volgens haar uitgebreide, maar in wezen korte beschouwing is gewijd aan de voor- en nadelen van juryrechtspraak. De rechterlijke onafhankelijkheid wordt daarin noch als voordeel, noch als nadeel genoemd. Dit terwijl historisch gezien in de Angelsaksische landen wantrouwen tegen de overheid, waar ook de rechterlijke macht deel van uit maakt, altijd de belangrijkste reden is geweest om juryrechtspraak in te voeren. Een jury, bestaande uit burgers, zou onafhankelijker van de overheid zijn en oordelen dan beroepsrechters die door de overheid zijn aangesteld.4 Volgens de staatscommissie kan voorts niet het belang worden ontkend van het veelgehoorde bezwaar, dat een jury in sterkere mate dan een beroepsrechter emotioneel ontvankelijk pleegt te zijn.5 De al dan niet terechte vrees dat juryleden zich gemakkelijker laten beïnvloeden dan beroepsrechters, bijvoorbeeld door de media, kan hun onpartijdigheid schaden. Artikel 116, derde lid, Gw, staat niet in de weg aan deelname door burgers aan de (straf)rechtspraak, zolang het maar gaat om het verlenen van medewerking en zelfstandig beslissen niet mogelijk is.
Juryrechtspraak mag dan niet tot de Nederlandse traditie behoren, er zijn wel diverse voorbeelden van het mede uitoefenen van rechtspraak door leken. Om met een historisch voorbeeld te beginnen: ten tijde van de republiek werden de zogenoemde schepenbanken voornamelijk bezet door niet-juristen. De geringe juridische kennis van de schepenen werd ondervangen door het consulteren van juristen of door andere vormen van advies. Volgens Van Boven is een dergelijke adviespraktijk in strijd met het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.6 Hij licht dat verder niet toe. Er zijn ook recentere voorbeelden van lekenrechtspraak aan te wijzen, voornamelijk bij gerechten die niet behoren tot de rechterlijke macht. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, dat nu enkel uit beroepsrechters bestaat, kende tot 1986 nog leken-leden. Ook diverse opgeheven gerechten werkten met leken-leden, bijvoorbeeld de tot 1992 bestaande raden van beroep (voor sociale zekerheidsrechtspraak) en ambtenarengerechten, de Tariefcommissie (voor douanezaken) en het College van beroep studiefinanciering.7 De wetgever wenste lekenrechtspraak terug te brengen tot uitzonderlijke gevallen.8 Door de toenemende werkdruk op de rechterlijke macht en de toenemende complexiteit van geschillen is de nadruk steeds meer komen te liggen op een doelmatige rechtspleging waarin onafhankelijkheid, deskundigheid en professionaliteit voorop staan. Lekenrechters zouden daar minder goed bij passen.9 Op dit moment komt lekenrechtspraak binnen de rechterlijke macht alleen nog voor bij de meervoudige kamer in militaire ambtenarenzaken (art. 54 lid 3 Wet RO), de meervoudige militaire kamer in strafzaken (art. 55 lid 2 en art. 68 lid 2 Wet RO), de ondernemingskamer (art. 66 lid 2 Wet RO), de penitentiaire kamer inzake vervroegde invrijheidsstelling (art. 67 lid 3 Wet RO), de pachtkamers (art. 48 en art. 69 lid 2 Wet RO) en de kamer voor het kwekersrecht (art. 70 lid 2 Wet RO).10
Volgens de wetgever is voor deelneming van leken aan de rechtspraak alleen dan aanleiding, indien het gaat om zaken die slechts adequaat kunnen worden afgehandeld door leden met specifieke deskundigheid en praktijkervaring met het onderwerp van de zaak. Uitgangspunt is dat beroepsrechters, die voor het leven benoemd zijn, juridisch geschoold zijn en over een professionele rechterlijke attitude beschikken, borg staan voor de kwaliteit van rechtspraak.11 Lekenrechters worden doorgaans voor een bepaalde termijn benoemd (bijvoorbeeld 5 jaar) en missen dus veelal de rechtspositionele onafhankelijkheidswaarborg van benoeming voor het leven. Het ambtstoezicht op lekenrechters geschiedt wel door de rechterlijke macht (art. 116 lid 4 Gw).
De afgelopen jaren heeft de participatie van burgers bij de rechtspraak in Nederland weer in toenemende mate in de belangstelling gestaan. Een veelgehoord argument vóór lekenrechtspraak is het vergroten van het vertrouwen van de burgers in de rechtspraak (of sterker geformuleerd: het wegnemen van het wantrouwen van burgers). Toenmalig Tweede Kamerlid Joost Eerdmans heeft de deelname van burgers aan rechtspraak in 2005 weer op de politieke agenda gezet.12 Op verzoek van de Minister van Justitie heeft De Roos onderzoek verricht naar de wenselijkheid van lekenrechtspraak in de strafrechtspleging.13 Uit het onderzoek komt naar voren dat invoering van lekenrechtspraak een ingrijpende stelselwijziging van het strafprocesrecht zou betekenen.14 De Minister van Justitie heeft in reactie daarop geconcludeerd dat er geen dwingende noodzaak is om tot zo’n ingrijpende stelselwijziging over te gaan.15 Ook in deze recente discussie over jury- en lekenrechtspraak speelt de onafhankelijkheid van lekenrechters nauwelijks een rol.16 Volgens Bovend’Eert heeft de klassieke, negentiende-eeuwse liberale gedachte dat deelname van burgers aan de rechtspraak de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht versterkt in deze eeuw aan betekenis ingeboet. Het beeld van de beroepsrechter als overheidsdienaar, afkomstig uit een geprivilegieerde sociale klasse en ontvankelijk voor beïnvloeding door het bestuur, strookt niet meer met de werkelijkheid. Voorts heeft de media zich ontpopt als een belangrijke kritische controleur van de overheid, waaronder ook de rechter. Daardoor heeft zijns inziens de deelname van burgers aan de rechtspraak vanuit het perspectief van de rechterlijke onafhankelijkheid nog slechts een beperkte waarde.17 Dit beeld wordt bevestigd door de andere publicaties waarnaar verwezen is, die zoals eerder opgemerkt amper aandacht besteden aan het argument van rechterlijke onafhankelijkheid.