De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4
2.4 De rechtspraak over de rechtsverhouding
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384796:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De uitspraken zijn geselecteerd met behulp van verwijzingen in de literatuur en door systematisch onderzoek van het gedigitaliseerde Weekblad van het Regt, uitgegeven van 1839 tot 1943, van de Nederlandse Jurisprudentie vanaf 1913 en door raadpleging van rechtspraak.nl en Legal Intelligence voor de jaren 1995-2018. Het Weekblad is via de registers doorzocht op de termen erfpacht en opstal. De NJ is onderzocht via de registers in de banden 1936-1964 en online vanaf 1965 met behulp van Legal Intelligence en Kluwer Navigator. Omdat in de online publicatie de registers niet zijn meegenomen is een controle uitgevoerd in de registers van de banden 1965-1992 en in het NJ-kaartsysteem.
Zie bijvoorbeeld Van Oostrom-Streep 2006, p. 14-18 en Rank-Berenschot 1992, p. 70: “Blijkens de rechtspraak werd het zakelijke karakter van een recht van oudsher primair afgemeten aan de mate waarin dat recht, zij het als wezenskenmerk, zij het als noodzakelijk gevolg, werking tegen derden had. Kwam een subjectief recht ter sprake dat niet door wet of vaste traditie als zakelijk werd beschouwd en was de rechter van mening dat het werking had tegenover derden, dan betitelde hij het als een recht ‘van zakelijke aard’ of ‘met zakelijk karakter’.”
Deze paragraaf bevat een overzicht van de wijze waarop in de rechtspraak sinds de negentiende eeuw is geoordeeld over de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter.1 Mijn aandacht gaat uit naar uitspraken waarin sprake is van een (vermeend) recht van erfpacht en waarin het conflict zich afspeelt in de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter, met nadruk op zaken waarin verplichtingen van partijen jegens elkaar in geschil zijn. Van belang is vooral op welke wijze het gebrek aan een wettelijke regeling voor verbintenissen tussen partijen wordt ingevuld en of strikt de hand wordt gehouden aan het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht. Uit eerdere studies is bekend dat in de rechtspraak uit de negentiende eeuw het uitgangspunt van een gesloten stelsel van zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek niet altijd werd gerespecteerd.2 De rechtspraak na invoering van de erfpachtwet in 1825 gaf een verschillende inhoud aan de rechtsverhouding zolang het onderscheid tussen zakelijke rechten en verbintenissen nog niet strikt werd gemaakt. Rechtspraak over de canonverplichting betrof vooral de relatieve bevoegdheid van de rechter omdat art. 129 Rv (oud) de kantonrechter uitsluitend bevoegd maakte te oordelen over persoonlijke vorderingen. In dit onderdeel worden de termen onderzocht waarmee de rechtsverhouding werd beschreven, de betekenis van het arrest Blaauboer/Berlips voor opvattingen over de rechtsverhouding en de toenemende aandacht voor de vereisten van de goede trouw. Ook het effect van de invoering van het Nieuw BW komt aan de orde. De periode is in drie delen verdeeld, de periode van 1838 tot 1905 wordt in par. 2.4.1 behandeld, de periode van 1905 tot 1992 in par. 2.4.2 en de periode vanaf 1992 in par. 2.4.3. De paragraaf sluit af met een samenvatting van bevindingen.
2.4.1 Rechtspraak 1838-19052.4.2 Rechtspraak 1905-19922.4.3 Rechtspraak 1992-20182.4.4 Samenvatting rechtspraak