Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.4.4
6.4.4 Eigenaardigheden van nakoming bij aanneming van werk
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS376347:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een verschil tussen het recht op nakoming bij koop en aanneming van werk is, dat de koper reeds een recht op herstel en vervanging heeft nadat de koopzaak is afgeleverd, terwijl dat recht van de opdrachtgever eerst ontstaat nadat het werk is opgeleverd. Bij koop zou volgens Oechsler het spoedig ontstaan van de rechten op herstel en vervanging als nadelig gevolg kunnen hebben dat verkopers eerder genegen zullen zijn om non-conforme zaken af te leveren, teneinde zich op § 439 Abs. 3 te kunnen beroepen om aan vorderingen tot herstel of vervanging te ontkomen. Alleen een beroep van de koper op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou deze `Flucht in die Nacherfüllung' kunnen tegengaan, zie Oechsler 2004, p. 1827-1828. Dit is m.i. evenwel geen serieus te nemen probleem al was het maar, omdat de overige remedies die de koper ten dienste staan als hij een non-conforme zaak heeft ontvangen, zoals schadevergoeding en prijsvermindering, het voordeel ontnemen die de verkoper aan het leveren van een gebrekkige zaak zou kunnen ontlenen.
Zie par. 6.4.2. Vgl. ook Müko/Busche 2005, § 635, nr. 38, die bij aanneming van werk, overigens anders dan in het algemene contractenrecht, nr. 33, ruimte ziet om met een procentueel omslagpunt te werken. Afwijzend over een procentuele grens bij aanneming van werk is Staudinger/Peters 2003, § 635, nr. 10.
Par. 6.3.5.
Par. 6.3.6.
Bij de beoordeling van de evenredigheid van de nakomingskosten dient volgens de Nederlandse wetgever ook rekening te worden gehouden met de niet-financiële belangen van de aannemer, al noemt hij hiervan geen voorbeelden, zie Kamerstukken II 1995/96, 23 095, nr. 3, p. 30. In de 130%-richtlijn is daarvoor geen uitdrukkelijke plaats ingebouwd, maar een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid staat ook voor de aannemer open, zie par. 6.3.7.
Alhoewel de aannemer de keuze heeft tussen reparatie en het opnieuw uitvoeren van het werk zal hij in de praktijk doorgaans voor herstel kiezen, omdat die nakomingsvorm meestal goedkoper zal zijn, vgl. Staudinger/ Peters 2003, § 634, nr. 29 en 38. Herstel is bij aanneming van werk over het algemeen gelijk te stellen aan het opnieuw uitvoeren van een deel van het werk, met behulp van nieuwe materialen. Indien de aannemer een nakomingsvorm kiest die de opdrachtgever onwelgevallig is, kan de laatste zich onder omstandigheden beroepen op de redelijkheid en billijkheid, aldus Huber & Faust 2002, hfdst. 18, nr. 24. Vóór de implementatie van de richtlijn consumentenkoop was het ook de schuldenaar, de verkoper, die krachtens art. 7:21 lid 2 (oud) de bevoegdheid had om voor vervanging of teruggave van de koopprijs te kiezen, indien de consumentkoper herstel had gevorderd en de zaak voor vervanging vatbaar was. Dit keuzerecht voor de verkoper was een tegenwicht tegen de dwingendrechtelijke consumentenbescherming, zie Van Rossum 1998, p. 122. Deze bepaling is bij de implementatie van de richtlijn consumentenkoop vervallen.
Vgl. Maifeld 2002, p. 257-258.
BT-Drucks 14/6040, p. 265.
Helm 2005, p. 132; Huber 2002, p. 1007; en Anw.komm./Raab 2005, § 635, nr. 29.
Zo ook Helm 2005, p. 131-134.
De regels rond nakoming bij koop zijn grotendeels overeenkomstig van toepassing op het recht op nakoming van een opdrachtgever nadat een aannemer een gebrekkig werk tot stand heeft gebracht.1 Een opdrachtgever heeft in beginsel het recht te vorderen dat de aannemer de gebreken wegneemt die het werk na de oplevering vertoont (art. 7:759 lid 1). De aannemer kan zich tegen een vordering tot nakoming onder andere verweren met de stelling dat de kosten van het herstel in geen verhouding staan tot het belang van de opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding. Artikel 7:759 lid 1 en 2 luiden:
(1.) Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.
(2.) De opdrachtgever kan vorderen dat de aannemer de gebreken binnen redelijke termijn wegneemt, tenzij de kosten van herstel in geen verhouding zouden staan tot het belang van de opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding.
Opheffen van een gebrek in een opgeleverd werk kan zowel door reparatie als door het realiseren van een nieuw werk geschieden. De aannemer zou zich mijns inziens, net als de verkoper, tegen een nakomingsvordering moeten kunnen verweren, indien de kosten van nakoming meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bedragen.2 De uitzonderingen op de 130%-richtlijn, de inefficiënte nakoming3 en het ontbreken van een redelijk alternatief voor nakoming,4 kunnen het percentage van 130% ook hier bijstellen.5 Bij aanneming van werk gaat het vaak om unieke prestaties, veelal gebouwd op grond van de opdrachtgever. Wanneer de aannemer het werk slechts voor de helft afbouwt, zal het voor de opdrachtgever nutteloos zijn en zal ook het stuk grond waardeloos geworden zijn en zal hij ertoe overgaan nakoming te vorderen. De aannemer kan zich in dit geval tegen de vordering tot nakoming verweren met een beroep op de 130%-richtlijn. Indien de schade die de opdrachtgever daardoor lijdt echter niet voor volledige vergoeding in aanmerking komt, brengt de uitzondering van het ontbreken van een redelijk alternatief mee dat de aannemer het werk moet herstellen ook als de kosten daarvan hoger zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang.
De wettekst noch de Parlementaire Geschiedenis van art. 7:659 geeft uitsluitsel wie het keuzerecht heeft voor vervanging of reparatie van een gebrek in een opgeleverd werk: de opdrachtgever of de aannemer. In navolging van het Duitse aannemingsrecht, en in afwijking van het Nederlandse (en Duitse) kooprecht,6 zou ik ervoor willen pleiten dit keuzerecht bij de aannemer en niet bij de opdrachtgever te leggen.7 Een verschil tussen aanneming en koop is dat de aannemer vaak dichter bij het productieproces zit dan de verkoper. De aannemer produceert het werk in de regel immers zelf — voor zover hij anderen inschakelt, staan die onder zijn controle — en is derhalve beter dan de verkoper in staat te bepalen hoe het gebrek tegen de laagste kosten kan worden opgeheven.8 De Duitse wetgever noemt dit verschil dan ook ter rechtvaardiging dat de koper wel, maar de opdrachtgever geen keuze toekomt tussen herstel en vervanging:9
Die Interessenlage ist beim Werkvertrag auch anders (dan bij de koopovereenkomst, DH): Sein Inhalt geht nämlich über einen bloßen Austausch bereits bestehender Leistungsgegenstände hinaus. Das Werk selbst muss vielmehr erst noch hergestellt werden. Da deshalb der Werkunternehmer viel enger mit dem Produktionsprozess selbst befasst ist als der Verkäufer, sollte auch ihm die Wahl überlassen bleiben, auf welche Weise er dem Nacherfüllungsbegehren des Bestellers nachkommt. In der Regel kann auch der Unternehmer auf Grund seiner größeren Sachkunde leichter entscheiden, ob der Mangel durch Nachbesserung behoben werden kann oder ob es hierfür notwendig ist, das Werk insgesamt neu herzustellen – eine Maßnahme, die letztlich sogar kostengünstiger sein kann. Die berechtigten Interessen des Bestellers werden dadurch nicht in unzumutbarer Weise beeinträchtigt: Er hat ein Recht darauf, dass das Werk mangelfrei hergestellt wird. Ob dies durch Nachbesserung oder Neuherstellung geschieht, ist für ihn grundsätzlich ohne Bedeutung.
Dat de aannemer en niet de opdrachtgever de keuze heeft voor de wijze van nakoming brengt mee dat de vordering tot nakoming van de opdrachtgever niet gericht hoeft te zijn op een bepaalde vorm van nakoming, al zal hij in de praktijk doorgaans herstel vorderen. Aangezien de aannemer en niet de opdrachtgever de keuze voor de nakomingsvorm toekomt, is de 20%-richtlijn bij aanneming van werk niet van toepassing. De aannemer zal zich, anders dan de verkoper, niet tegen een specifieke nakomingsvorm hoeven te verweren. De relatieve redelijkheid van de nakomingskosten speelt bij aanneming van werk derhalve geen rol.
In de Duitse literatuur is de opvatting verdedigd dat een aannemer zich minder snel dan een verkoper van zijn herstelverplichting zou moeten kunnen bevrijden, dus niet reeds bij 130%.10 De gedachte is dat herstel voor een aannemer minder bezwarend is dan voor een verkoper, omdat herstel dichter bij de primaire prestatieverplichting van de aannemer staat dan van de verkoper. Desalniettemin ben ik van mening dat ook bij aanneming van werk de bevrijdingsgrens op 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang dient te worden gesteld.11 Het feit dat de inspanningen van de aannemer al bij aanvang zijn gericht op de creatie van een (nieuw) werk, maken de herstelkosten, die hij in het kader van de reparatie moet dragen, niet minder ingrijpend dan voor een verkoper. Evenmin kan worden gesteld dat vervanging voor een verkoper minder veeleisend zou zijn om de enkele reden dat de gedraging die hij in het kader van vervanging moet uitvoeren, aansluit bij zijn oorspronkelijke prestatieplicht tot levering van een contractsconforme zaak.