Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.6.1
8.3.6.1 De bepaaldheid van het voorwerp van levering in het Sio-arrest
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417140:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion.
Veegens & Oppenheim 1921, p. 104.
HR 12 februari 1885, W. 5146.
Art. 668. De Hoge Raad heeft in HR 24 februari 1911, W. 9145 bevestigd dat eigendom van een vordering overging ‘door de akte van overdracht’, maar dat de debitor cessus bevrijdend kan betalen aan de schuldenaar voordat mededeling is gedaan. Is de vordering eenmaal overgedragen door de akte van overdracht en is nog niet betekend, dan is de cedent beschikkingsonbevoegd geworden.
HR 14 januari 1921, NJ 1921/313 (Parser q.q./Nederlandsche Crediet-vereeniging).
HR 13 januari 1938, NJ 1938/566 (Kok/Okma q.q.) m.nt. Scholten.
In dezelfde zaak oordeelde de Hoge Raad dat de verplichting om zekerheid te verschaffen geen ongeoorloofde oorzaak had, zelfs niet als zij er toe leidde dat de schuldeiser al zijn goederen tot zekerheid overdroeg (mits dat correspondeerde met de hoogte van de verzekerde vordering). Scholten wierp wel de vraag op of de eisen die aan de actio Pauliana werden gesteld, misschien te streng waren. Zie: zijn noot bij het arrest.
HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion.
Drion in zijn noot bij HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion; Asser/Beekhuis 1957, p. 153. Volgens Drion vloeide deze beperking onder meer voort uit ‘het specialiteitsbeginsel bij de bedongen voorrangsrechten.’ Ik meen echter dat Drions conclusie berust op een onjuiste kwalificatie van het specialiteitsbeginsel, aangezien specialiteit geen rol speelt bij zekerheidsrechten die niet openbaar zijn door bijvoorbeeld een register of de verschaffing van feitelijke heerschappij. Eerder had Meijers gesteld dat hij de aanduiding ‘alle toekomstige zaken’ onvoldoende bepaald vond. Zie: Meijers in zijn noot bij HR 13 februari 1936, NJ 1936/443. Vgl. Suijling 1936, p. 167; Wiarda 1940, p. 83.
In zijn conclusie bij HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion.
Struycken 1998, p. 428.
Asser/Beekhuis 1957, p. 153.
In het Sio-arrest overwoog de Hoge Raad dat ‘de door het Hof bewezen afspraak niet (…) betrof ‘goederen, welke alleen bepaald waren door het begrip: alle in de toekomst aan te schaffen machines’, doch goederen aangeduid als ‘machines welke nog in het bedrijf zullen komen’, van welke aanduiding niet in het algemeen gezegd kan worden dat deze het voorwerp van een afspraak als de vermelde niet voldoende bepaalt.’1 De Hoge Raad stelde hier het vereiste dat het voorwerp van de levering constituto possessorio voldoende moest zijn bepaald, aangezien de ‘door het Hof bewezen afspraak’ de levering constituto possessorio betrof. Het OBW kende weliswaar een bepaaldheidsvereiste in artikel 1356, maar dit had in beginsel slechts betrekking op het onderwerp van de verbintenis. Artikel 1356 OBW luidde: ‘Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden vereischt: (..) Een bepaald onderwerp (..).’ Artikel 1369 voegde daar aan toe: ‘Eene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is. De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die hoeveelheid naderhand kunne worden bepaald of uitgemaakt.’ Verder luidde artikel 1370: ‘Toekomstige zaken kunnen het onderwerp eener overeenkomst uitmaken. (…)’ In navolging van onder anderen Veegens & Oppenheim gebruik ik het woord voorwerp in plaats van het woord onderwerp.2 Het onderwerp van de overeenkomst zijn de handelende partijen, terwijl het voorwerp het object van de prestatie is.
Naar analogie van de artikelen 1356, 1369 en 1370 heeft de Hoge Raad overwogen dat de levering ook een bepaald voorwerp moest hebben. Voordat de Hoge Raad de levering constituto possessorio in 1885 heeft erkend,3 bepaalde de feitelijke overgave van de zaak het voorwerp van de levering. Na de erkenning van de levering constituto possessorio kwam het in beginsel aan op de bewoordingen van de leveringsakte. Hetzelfde gold voor de cessie van vorderingen, aangezien zij werd voltooid door het opmaken van een cessieakte.4
De Hoge Raad heeft het bepaaldheidsvereiste in 1921 expliciet toegepast op de cessie van vorderingen. In Hof Amsterdam 21 november 1919, NJ 1920/302 had de schuldenaar zijn vorderingen, die voortvloeiden uit de wissels die hij op verschillende schuldenaren zou trekken, overgedragen. Voor de overdracht van vorderingen was kennisgeving aan de debitor cessus niet vereist, de levering kon bij akte geschieden. Volgens het Hof was vast komen te staan welke vorderingen waren overgedragen op het moment dat de schuldenaar de wissels had getrokken en betaalbaar had gesteld aan de schuldeiser. De overdracht was volgens het Hof geldig en daaraan stond niet in de weg dat de vorderingen niet met naam in de akte waren omschreven, omdat later kon worden vastgesteld welke vorderingen bedoeld waren. De Hoge Raad liet het arrest van het Hof in stand.5 Het college was dus kennelijk van oordeel dat het voorwerp van de levering van vorderingen op een later moment kon worden bepaald aan de hand van gegevens buiten de akte.
In het arrest Kok/Okma q.q. van 1938 heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de bepaaldheid van het voorwerp van de overeenkomst om roerende zaken te leveren.6 In deze zaak had een schuldenaar, Stierhout, kort voor faillissement ‘alle roerende goederen, zijnde winkelinventaris en goederenvoorraad, zich bevindende in een aantal perceelen Westerstraat 111 en Roerstraat 133 te Amsterdam en alle uitstaande vorderingen, welke aan Stierhout (de schuldenaar, VvH) toekwamen ter zake van zijne in beide genoemde gedreven handelszaken’ tot zekerheid in eigendom overgedragen aan zijn schuldeiser. In cassatie ging het over de rechtsvraag of de overeenkomst die de schuldenaar hiertoe verplichtte een voldoende bepaald voorwerp had. De Hoge Raad beantwoordde de voorgelegde rechtsvraag bevestigend. Hieruit volgde dat de Hoge Raad kennelijk vond dat het onbepaalde telwoord ‘alle’ in beginsel een voldoende bepaald voorwerp van de overeenkomst kon zijn. De bepaaldheid van het voorwerp van de leveringshandeling kwam niet ter sprake in deze procedure.7
De Hoge Raad heeft in het Sio-arrest geoordeeld dat ‘de door het Hof bewezen afspraak niet (…) betrof ‘goederen, welke alleen bepaald waren door het begrip: alle in de toekomst aan te schaffen machines’, doch goederen aangeduid als ‘machines welke nog in het bedrijf zullen komen’, van welke aanduiding niet in het algemeen gezegd kan worden dat deze het voorwerp van een afspraak als de vermelde niet voldoende bepaalt.’8 Het college leek in deze overweging uit te drukken dat hij de aanduiding alle bestaande en toekomstige roerende zaken van de schuldenaar onvoldoende bepaald vond.9 De Hoge Raad week hiermee af van de conclusie van A-G Eggens. Hij schreef dat de aanduiding van het object voldoende was bepaald, ‘wanneer deze volledige bepaaldheid er is op het moment dat de eigendom overgaat, dus wanneer de overeenkomst de betrokken goederen zodanig bepaalt, dat deze daardoor – volledig – bepaalbaar zijn en bepaald zullen zijn op het moment, waarop, naar het door partijen daarbij uitgedrukte doel, dit doel is bereikt.’10 Hij wees er op dat een combinatie van de geanticipeerde levering constituto possessorio en de ontvangst van de machines in het bedrijf van de schuldenaar het voorwerp van de levering bepaalden.
Struycken heeft verdedigd dat de heersende literatuur onterecht uit het Sio-arrest heeft afgeleid dat de aanduiding ‘alle machines die later in het bedrijf van de vervreemder zullen komen’, voldoende bepaald was.11 Volgens hem berustte dit op een onjuiste weergave van het Sio-arrest in een passage van Beekhuis in Asser/Beekhuis, Tweede deel, Zakenrecht, Algemeen deel.12 Ik deel Struyckens mening dat de Hoge Raad in het Sio-arrest nog terughoudend was en de aanduiding ‘alle bestaande en toekomstige zaken’ vermoedelijk onvoldoende bepaald vond. Anders dan Struycken meen ik echter dat Beekhuis’ interpretatie niet in strijd komt met de overweging van de Hoge Raad. De Hoge Raad leek namelijk de aanduiding ‘alle bestaande en toekomstige zaken’ onvoldoende bepaald te vinden, omdat het element ‘welke nog in het bedrijf zullen komen’ ontbrak. De aanduiding van de locatie waar de later verkregen zaken zich zouden bevinden, achtte de Hoge Raad kennelijk van belang voor de invulling van het bepaaldheidsvereiste. De interpretatie van Beekhuis bevatte de aanduiding van de locatie en is daardoor in overeenstemming met de overweging van de Hoge Raad. Zelfs als Struyckens interpretatie van het arrest juist zou blijken te zijn, is zij achterhaald door het Van Vliet-arrest.