Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.6.1
4.6.1 Rechtspraak in naam van de Koning
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501026:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Laatstelijk artikel 163 GW 1972.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 3-4 (Nng, deel 23, p. 7-8). De vraag rijst wat de regering met het woordje ‘óók’ heeft willen uitdrukken. Bedoelde zij daarmee onafhankelijkheid van de rechterlijke macht ten opzichte van de regering naast onafhankelijkheid ten opzichte van de wetgever, het parlement, de Koning persoonlijk, of nog iets anders? Dit is opmerkelijk, omdat rechterlijke onafhankelijkheid over het algemeen in eerste instantie juist ten opzichte van de uitvoerende macht aanwezig moet zijn.
Kamerstukken II 1979/80, 16 162, nr. 3, p. 3 (Nng, deel 23, p. 8). Hier rijst de vraag waar de regering op doelde met ‘mede verantwoordelijk achten het staatshoofd’. Wie is in beginsel verantwoordelijk dan? De rechter die het vonnis heeft uitgesproken? De staat? In de Memorie van Antwoord geeft de regering een aanvullende uitleg (Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 5, Nng deel 23, p. 78): ‘Wij wijzen erop dat in de nieuwe Grondwet de term Koning’’ slechts voorkomt daar, waar de persoon des Konings is bedoeld. Handhaving van de zinsnede ‚in naam des Konings‛ in de nieuwe Grondwet zou het doen lijken, alsof vonnissen aan de Koning persoonlijk kunnen worden aangerekend. Het lijkt ons onwenselijk, dat die indruk zou kunnen ontstaan.’
Eindrapport staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 242-243.
Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 13 (van het lid Korte-van Hemel).
Zie over het Belgische equivalent van deze bepaling J. Delva, ‘De onafhankelijkheid van de Belgische rechter ten aanzien van de uitvoerende macht (I)’, TBP 1988, p. 182: ‘Dit artikel [90 Grondwet] verzekert de juiste toepassing van de machtenscheiding: de beslissing wordt in naam van de Koning gewezen, maar de tussenkomst van het hoofd van de uitvoerende macht is vereist om er volle uitwerking aan te verlenen.’ (= tenuitvoerlegging).
Thorbecke 1839; 2e druk 1843. Zie nieuwe 2e uitgave 1906, tweede deel, p. 145.
Tellegen 1883-I, p. 100.
Thorbecke 1906, tweede deel, p. 146. De bepaling scheen Tellegen vrijwel overbodig, indien de betekenis daarvan was dat geen bijzondere rechtspraak werd toegelaten. De bepalingen inzake instelling van de rechterlijke macht bij wet sloten dat immers reeds uit. Indien het artikel wilde zeggen dat de Koning als hoofd van de staat ook het hoofd van de rechterlijke macht is, dan was dit volgens hem een (holle) frase; de Koning had immers geen macht en invloed over de rechterlijke macht (Handelingen der NJV 1883, deel I, p. 99-100).
Kamerstukken II 1980/81, 16 162, nr. 8, p. 4-5 (Nng, deel 23, p. 77-78).
A. de Pinto, Handleiding tot de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het beleid der justitie, 1e druk 1844, tweede gedeelte, p. 15-16.
De Pinto 1844, p. 15-16.
De bepaling dat er alom in het rijk recht wordt gesproken in naam van de Koning heeft van 1814 tot 1983 een plaats gehad in de Grondwet.1 In 1983 achtte de regering de bepaling niet langer noodzakelijk omdat het grondwetshoofdstuk over rechtspraak volgens haar voldoende andere garanties ter verzekering van de eenheid van rechtspraak bood. Bovendien was zij van mening dat door het schrappen van deze bepaling de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht voor het oog der justitiabelen, óók ten opzichte van de regering, werd onderstreept.2 Tot slot werd vermeden dat justitiabelen voor rechterlijke vonnissen, die hen in hun persoon of goed treffen, zoals strafvonnissen of vonnissen tot ontruiming, mede verantwoordelijk achten het staatshoofd, in wiens naam de vonnissen zijn uitgesproken.3 Met andere woorden, deze bepaling werd gezien als een belemmering voor burgers om een in wezen onafhankelijke rechterlijke macht ook daadwerkelijk als onafhankelijk te beschouwen.
De regering heeft in haar motivering om het artikel te schrappen letterlijk een aantal leden van de staatscommissie-Cals-Donner gevolgd. Binnen de commissie was men in drie kampen verdeeld over het al dan niet behouden van de bepaling in de Grondwet en in welke bewoordingen. Volgens een aantal leden kon het artikel in deze vorm het misverstand wekken, dat de rechter ondergeschikt zou zijn aan de regering. Als men op grond van deze bepaling inderdaad had kunnen twijfelen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht – iets waar mijns inziens vraagtekens bij geplaatst kunnen worden, nu de bepaling enkel beoogde uit te drukken dat rechtspraak een centrale overheidsfunctie was – dan heeft de regering er verstandig aan gedaan de bepaling te schrappen. Volgens het EHRM kan immers zelfs een schijn van afhankelijkheid al tot schending van artikel 6 EVRM leiden. Andere leden stelden dat een dergelijke bepaling de eenheid van rechtspraak voorop stelt en daarin tevens de gedachte ligt besloten, dat de rechtspraak niet los mag worden gezien van het staatsbestel: al is de rechterlijke macht onafhankelijk van regering en parlement, toch is de rechtspraak overheidsrechtspraak.4 Een compromisvoorstel kwam van de leden Cals, Meeuwissen en Simons, die overwogen een bepaling op te nemen waaruit slechts de eenheid van rechtspraak zou spreken: ‘De rechtspraak geschiedt in het Rijk naar dezelfde wetten en beginselen’. Met een dergelijke formulering had de rechterlijke onafhankelijkheid in ieder geval niet kunnen worden betwijfeld. De regering heeft er echter voor gekozen de bepaling in zijn geheel te laten vervallen om bovengenoemde redenen. Tijdens de behandeling van het grondwetswijzigingsvoorstel kwam er oppositie vanuit de Kamer. Vooral het CDA wilde de bepaling behouden om de eenheid van de rechtspraak te benadrukken en heeft daartoe zelfs een amendement ingediend.5 Zij meenden dat burgers bovendien niet zo naïef zijn als de regering voorstelde. Daarmee vochten zij de stelling aan dat de bepaling een onjuiste indruk over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht kon opwekken.
Dat de bepaling in ieder geval nooit beoogd heeft de rechterlijke onafhankelijkheid geweld aan te doen blijkt ook uit oudere staatsrechtelijke literatuur. Hoewel over de oorspronkelijke betekenis van de bepaling werd getwist, was zonder meer duidelijk dat de Koning aan die bepaling geen bevoegdheden kon ontlenen jegens de rechterlijke macht.6 Volgens Thorbecke was de Koning, hoofd van de uitvoerende macht, dus ook, hoewel op andere wijze dan ten aanzien van de overige delen van staatsbestuur, hoofd van de rechtsprekende macht.7 ‘Op andere wijze’ moest volgens Tellegen te kennen geven, dat de Koning niets te zeggen had over de rechterlijke macht.8 Volgens Thorbecke was de eigenlijke betekenis van het artikel dat geen bijzondere rechtspraak, voorheen als eigen recht van andere personen of lichamen, buiten de Soeverein uitgeoefend, meer werd toegelaten. Het zag op het herstel van de oorspronkelijke inrichting van Nederland, waarin het rechtsgebied uitsluitend aan de centrale overheid toebehoorde.9 De bepaling was een reactie op de versnippering van de rechtsbedeling ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zij moest een eind maken aan rechtspraak in de deelprovincies.10 Ook volgens De Pinto was het doel van dit artikel niet om de Koning te verheffen tot opperrechter, om de grondwettige rechtbanken aan het Koninklijk gezag te onderwerpen, noch om aan de Koning een rechtsmacht op te dragen door hem persoonlijk uit te oefenen.11 Het betekende zijns inziens eenvoudig dat alle rechtspraak uitgaat van de Koning, als het hoofd van de Staat, en dat alle bijzondere rechtspraak zoals men die vroeger gekend had, werd afgeschaft. Hij schreef dat de Koning, als hoofd van de Staat, tevens het hoofd van de rechterlijke macht is, en dat derhalve de laatste haar gezag ontleent aan de eerste, zonder dat daaruit volgt, dat de laatste een deel van het uitvoerend gezag is. De Koning is dus het hoofd van de rechtsprekende macht, maar zoals Thorbecke zegt, op een andere wijze dan ten aanzien der overige delen; dat wil zeggen dat het rechterlijk gezag niet door hem of door zijn regering worden uitgeoefend; maar de Grondwet hem verplicht dat te delegeren aan de grondwettige rechtbanken, welke geheel vrij en onafhankelijk van enig ander gezag in de staat werkzaam zijn. Er wordt recht gesproken vanwege, niet door de Koning, of zoals Hogendorp het uitdrukte: ‘in naam en vanwege de Koning, maar door de rechter, volgens het voorschrift der wet alleen’.12 De conclusie is gerechtvaardigd dat de bepaling nooit aanleiding heeft gegeven om deze (in negatieve zin) in verband te brengen met de rechterlijke onafhankelijkheid. Dat heeft er in feite niets mee van doen.