Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/8.9:8.9 Samenvattende conclusies: onderwijsopleidingen
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/8.9
8.9 Samenvattende conclusies: onderwijsopleidingen
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977106:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij LO-wet van 1857 is het vak vaderlandsche geschiedenis ingevoerd (Bijlage II). Vanaf 1865 is voor de hoofdonderwijzer kennis vereist van ‘de inrichting van het Staatsbestuur’. Voor de (hulp)onderwijzer gold dit vanaf 1878. Eerst de LO-wet van 1916 bevat ‘allereerste beginselen der gemeente-, provinciale en Staatsinrichting […]’ en de LO-wet van 1920 ‘eenvoudigste kennis van de gemeente-, provinciale en staatsinrichting van Nederland’. De Nieuwe Kweekschool (1952) kende het vak geschiedenis met de hoofdzaken van de Nederlandse staatsinrichting. De Pabo (1984) kreeg het vak geschiedenis (en staatsinrichting). De Wbo (1981) bevat staatsinrichting onder het kennisgebied maatschappelijke verhoudingen met als eis: ‘Enkele hoofdzaken van de staatsinrichting en de rol van de burger’ (Bijlage III).
De opleiding van leraren-MO krijgt vorm door het KB van 1864. De MO-akten zijn ingesteld in de op 1 juli 1863 in werking getreden MO-wet die de regeling van de burgerschool, drie- en vijfjarige hbs, mms en bevoegdheden bevat. Deze bestaan uit het doctoraat in de regten, MO-Staatshuishoudkunde en de aparte MO-akten Staatsinrichting en -Staatshuishoudkunde en de statistiek. De bevoegdheden voor de vakken opgesomd in artikel 1 MO-Wet zijn vastgelegd. Het doctoraat in de regten verleent een gelijke bevoegdheid als de volledige akte MO-Staatshuishoudkunde. Voor het bijzonder onderwijs zijn bevoegde docenten bekostigingsvoorwaarde (artikel 23 lid 7 Gw). Voor het inzicht in de voorwaarden voor de realisatie van longitudinale, doelgerichte en samenhangende burgerschapsvorming zijn de onderwijsopleidingen en - bevoegdheden kenbronnen bij uitstek.
MO-Staatsinrichting en -Staathuishoudkunde en de statistiek, en MO-Handelswetenschappen en -Boekhouden geven de bevoegdheid voor staatsinrichting respectievelijk (handels)recht in combinatie met de akte Q, waarvoor ‘een examen in de theorie van onderwijs en opvoeding, hoofdzakelijk in betrekking tot het middelbaar onderwijs’ vereist is (artikel 78 1e alinea MO). In 1864 komt deze pedagogisch-didactische voorbereiding in de MO-wet. Het hospiteren (lesbezoek) op een vhmo-school en enige colleges pedagogiek en didactiek/ methodiek starten in 1935. Vanaf 1955 volgt de pedagogisch-didactische scholing (behoudens voor staatsinrichting en recht) na een doctoraalexamen in enig vak. De akte Q is aan de huisakte aangehaakt. De exameneisen en programma’s normeren vanaf 1870 de curricula (Bijlagen Ib en V). De examens MO-Staatsinrichting - Opsteltitels en Vragen - bewegen zich op constitutioneelrechtelijk en parlementair-historisch vlak. Een selectie van de mondelinge examens is in Bijlage Xd opgenomen.
In 1972 ontstaan de NLO's voor de tweede en derdegraads akten. Tot 1986 is de opleiding voor twee vakken verplicht op twee niveaus: bijvoorbeeld niveau 2: economie/niveau 3: aardrijkskunde. Met de invoering in 1986 van de wet-HOS (Harmonisatie onderwijssalarissen) is het derdegraads niveau schaal 2a geworden. Naast de ULO's en de tot 1991 aflopende MO-opleidingen bestaan vanaf 1989 eerste en tweedegraads HBO-opleidingen voor de vakken geschiedenis en staatsinrichting, (bedrijfs)economie en maatschappijleer. In 1981 is de ULO vernieuwd (WhW). In 2001 is de Bachelor/Masterstructuur ingevoerd met ULO's vanaf het collegejaar 2007/2008 met twee varianten: (a) de eenjarige (60 EC) en (b) de tweejarige, bestaande uit een jaar vakstudie (60 EC) en een jaar lerarenopleiding (60 EC). Hierna beschrijf ik de ontwikkeling van het verenigingsleven en (de effectiviteit van) de beleidsinzet voor de belangenbehartiging van betrokken vakken en leergebieden.