Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.4.4
12.2.4.4 Buiten het samenwerkingsverband gehouden stemrechten
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363938:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In België worden dergelijke clausules gesignaleerd, zie De Bauw 2007, nr. 64 en Dieux/Willermain 2007, nr. 28.
Zie voor België: Vanden Borre 2008, p. 161 (zonder argument) en De Bauw 2007, nr. 64 en Dieux/Willermain 2007, nr. 28 (op grond van het feit dat de wet daarmee geen rekening houdt, terwijl de oude regeling dat wel deed); voor Italië: Sersale 2010, p. 202 (met verwijzing naar beslissingen van toezichthouder Consob) en voor Duitsland Löhdefink 2007, p. 322 (met verwijzing naar het meerderheidstandpunt dat uitgaat van volledige toerekening zonder meer).
Wat als de samenwerkende partijen een deel van hun belang buiten de samenwerking houden? Stel: A en B zijn vennoten in vof C. De stemrechten van C worden toegerekend aan A en B op grond van het vermoeden van onderling overleg (§ 12.4.2). B houdt zelf ook stemrechten in de doelvennootschap. Worden de stemrechten die B rechtstreeks, dus niet via C, kan uitoefenen, ook toegerekend aan A? Een vergelijkbare vraag is of A en B de reikwijdte van de door hen gemaakte stemafspraken met effect kunnen beperken tot een deel van de via C gehouden stemrechten1, bijvoorbeeld tot maximaal 29,9%.
De wettelijke regeling biedt geen aanknopingspunten voor beantwoording van deze vraag. Gelet op de ratio van de biedplicht, het voorkomen van benadeling van minderheidsaandeelhouders, zou naar mijn mening aangenomen moeten worden dat dit soort afspraken geen effect sorteert en dat alle stemrechten die de samenwerkende partijen kunnen uitoefenen in de doelvennootschap moet worden meegenomen. Dit wordt ook in de (buitenlandse) literatuur aangenomen.2 Minderheidsaandeelhouders zouden anders met de zware bewijslast worden opgezadeld aannemelijk te moeten maken dat het onderling overleg zich ook uitstrekt tot de direct gehouden stemrechten van B. Dat lijkt ook niet redelijk omdat in de praktijk op alle aandelen gelijk gestemd wordt. Anderzijds moet ervoor worden gewaakt dat de regeling haar doel voorbij schiet; toerekening van stemrechten die partijen daadwerkelijk buiten de samenwerking houden is niet vereist gelet op de bescherming van minderheidsaandeelhouders (vgl. eerder hoofdstuk 4). Een oplossing zou kunnen zijn het opnemen van een weerlegbaar vermoeden dat het onderling overleg zich uitstrekt tot alle stemrechten die de betrokken partijen in de doelvennootschap houden (zie over vermoedens van onderling overleg nader § 11.5). Het lijkt dan redelijk om als tegengewicht aan deze verschuiving van de bewijslast ten gunste van minderheidsaandeelhouders te voorzien in de mogelijkheid om aandelen bij een derde te “parkeren”, zonder hierover zeggenschap te kunnen uitoefenen, maar met de mogelijkheid om afspraken te maken over vervreemding en andere kwesties van vermogensrechtelijke aard (§ 12.5.3.2).