Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.4:5.3.3.4 Motivering waarom het beslag nodig is
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.4
5.3.3.4 Motivering waarom het beslag nodig is
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495806:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vzr. rb Haarlem 2 februari 2011, rov. 1.2, LJN BP2945, NJF 2011, 96.
Vzr. rb Haarlem 2 februari 2011, rov. 1.2, LJN BP2945, NJF 2011, 96.
HR 24 november 1995, rov. 3.4, LJN ZC1894, NJ 1996, 161 (Tromp-Franca/Regency).
Paragraaf 9.2.6.5.
Zie ook hierna paragraaf 5.3.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Per juni 2011 is een nieuwe bepaling, welke betrekking heeft op de belangenafweging, in de Beslagsyllabus opgenomen. Deze houdt in dat in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit, ten behoeve van de afweging van wederzijdse belangen, steeds zal dienen te worden gemotiveerd waarom het beslag nodig is, waarom is gekozen voor beslag op de in het beslagrekest genoemde goederen en waarom niet beslag op een minder bezwarend beslagobject mogelijk is. Ik meen dat hier gesproken kan worden van een verband met, dan wel een reflexwerking van de in artikel 705 lid 2 Rv genoemde opheffingsgrond in een opheffingskortgeding: de onnodigheid van het beslag. Op basis van anterieure rechtspraak kan de conclusie worden getrokken dat het niet om een volstrekt nieuw criterium gaat, aangezien ook voor datum vermelding in de Beslagsyllabus, al in de lagere rechtspraak sprake was van toepassing van dit criterium: in een afwijzende beschikking op een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag uit begin 2011 overwoog de voorzieningenrechter rb. Haarlem als volgt:1
‘Gelijk dat voor een vordering (in kort geding) tot opheffing van een beslag geldt, kan ook de beoordeling van een beslagrekest niet geschieden zonder een (summiere) afweging van wederzijdse belangen (…). De omstandigheid dat de voorgeschreven vormen in acht zijn genomen en summierlijk van de deugdelijkheid van het ingeroepen recht blijkt, betekent nog niet dat het gevraagde verlof ook verleend moet worden. Bij de beoordeling van een beslagrekest zal mede de (on)nodigheid van het verlangde beslag in ogenschouw genomen moeten worden. Ingeval de schuldenaar verhaal biedt en er geen verduistering is te vrezen, kan, na de afweging van de belangen van partijen over en weer, een door een verzoeker beoogd beslag als onnodig worden aangemerkt en het desbetreffende verzoek om die reden worden afgewezen.’
Het in de Beslagsyllabus 2011 en daarop volgende versies genoemde subsidiariteitsbeginsel houdt in dit verband in, dat de toepassing van een bepaalde bevoegdheid pas gerechtvaardigd is als er geen minder vergaand alternatief bestaat, waarmee het doel evengoed kan worden gediend: zo mogelijk zal dus moeten worden gekozen voor de minst belastende beslagvorm, die het doel van zekerheidstelling kan realiseren.
Verwijzing naar het proportionaliteitsbeginsel betekent dat geen onevenredigheid mag bestaan tussen het met de bevoegdheid te dienen belang (zekerheid) en het daardoor te schaden belang van de schuldenaar (blokkerende werking beslag, eventuele schade). Men kan hierbij denken aan een relatief geringe of twijfelachtige vordering, waarvoor de beslaglegger een voor de beslagene zeer bezwarend beslag wenst te leggen of een situatie die hiervoor in de uitspraak van vzr. rb. Haarlem2 aan de orde kwam waarin de schuldenaar verhaal biedt en er geen verduistering is te vrezen.
Het beginsel van het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit kan ook worden gevonden in het eerder besproken arrest Tromp-Franca/Regency:3 het hierin gehanteerde criterium dat de beslagene niet onevenredig door het beslag op een van zijn goederen/in zijn belangen mag worden getroffen (reflexwerking Tromp-Franca/Regency) ligt zeer dicht bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De omvang en aard van het beslag als beoordelingscriterium in verband met de afweging van belangen, komt ook in het navolgende nog aan de orde. Men kan zich de vraag stellen of de verzoeker, zeker in dit stadium, in staat zal zijn om de benodigde informatie te verstrekken en vervolgens, welke gevolgtrekkingen hieruit te maken zijn. In hoofdstuk negen over conservatoir beslag als dynamisch recht wordt hier meer in detail op ingegaan.4
Bij de beoordeling van een beslagrekest zal de voorzieningenrechter, ondanks die hiervoor beschreven hindernissen, steeds een belangenafweging dienen te maken waarbij ook de proportionaliteit en subsidiariteit een rol spelen. Het meest waarschijnlijk is dat deze afweging, zoals dit ook in het verleden reeds gebeurde, non-discursief en in onderlinge samenhang met de overige toetsingsgronden vorm zal krijgen.5 Voorzieningenrechters blijken in de praktijk immers niet per afzonderlijk criterium te beoordelen (de rechtmatigheidstoets, de gegrondheidstoets en een afweging van belangen), maar zich veeleer een totaalbeeld te vormen waarbij men boogt op een brede rechterlijke ervaring met het beoordelen van een veelheid aan soorten van vorderingen. Het lijdt geen twijfel dat informatie over de redenen van het beslag, de proportionaliteit en subsidiariteit, aan de verkrijging van een totaalbeeld van de beslagsituatie zal bijdragen.