Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.6.1
3.6.1 Ontheffingenstelsel (periode 1961-2007)
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285339:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Een uittreksel van de IVI 1967 (en de appendix) is opgenomen als bijlage 2 in het ISMO-interim-rapport (1981), blz. 100 e.v.
IIV 1983, Inleiding, onderdeel 3.
Gegevensverstrekking op verzoek vloeide enerzijds voort uit de bij de burger bestaande behoefte aan bescherming van de privacy. Anderzijds was er het belang van de Belastingdienst bij het verkrijgen van betrouwbare gegevens; de burger zou er in het algemeen op mogen vertrouwen dat de verstrekte gegevens niet verder bekend worden gemaakt dan voor de uitvoering van de belastingwet nodig is (IIV 1983, Inleiding onderdeel 1, sub a).
IIV 1983, Inleiding onderdeel 1, sub a. Dit is ingegeven door het ISMO-interim-rapport (1981). Vergelijk: het ISMO-rapport (1985), blz. 104-105.
IIV 1983, Inleiding onderdeel 1, sub a. en hoofdstuk III, onderdeel C (par. 45 e.v.).
IIV 1983, Inleiding onderdeel 4. Dit werd bevestigd bij de beantwoording van Kamervragen (Aanhangsel Handelingen II 1984/85, nr. 26, antwoord op vragen 4 en 7).
In de memorie van toelichting bij de Miljoenennota 1993 wordt hier naar verwezen (MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 800 IXB, nr. 2, blz. 32-33). Vergelijk: persbericht Ministerie van Financiën van 18 december 1992, nr. 92/267, V-N 1992/3866, 4.
Zie uitgebreider: par. 2.1.3 VIV 1993 (zoals gewijzigd bij besluit Staatssecretaris van Financiën van 1 december 1998, Stcrt. 1998, 243) en M.B.A. van Hout, Gedeeld geheim, verloren geheim? TFB 2015/6-4.
Bij de invoering van de AWR had de Minister van Financiën op grond van art. 67, tweede lid, AWR (oud) de bevoegdheid om een ontheffing van de geheimhouding te verlenen voor niet-fiscale doeleinden. In de niet-gepubliceerde IVI 1967 werd het ontheffingenbeleid voor het op verzoek verstrekken van inlichtingen vastgelegd.1 De IVI 1967 kwam met de inwerkingtreding op 1 januari 1983 van de IIV 1983 te vervallen. De bepalingen uit het IVI 1967 werden vrijwel integraal overgenomen waarbij geen wijzigingen werden beoogd.2 In de IIV 1983 werd het uitgangspunt van gegevensverstrekking op verzoek losgelaten.3 De gedachte had postgevat dat de uitvoering van de overheidstaak in ruime zin tot een actievere rol van de Belastingdienst ten aanzien van gegevensuitwisseling kon noodzaken waarbij de bestrijding en/of voorkoming van misbruik of oneigenlijk gebruik van overheidsregelingen werden genoemd.4 Daarom werd in de IIV 1983 de mogelijkheid voor de inspecteur opgenomen om op eigen initiatief inlichtingen te verstrekken aan andere overheidsorganen.5 Voorafgaand aan het op eigen initiatief verstrekken van informatie diende de inspecteur een belangenafweging te maken. Discreet gebruik, in overeenstemming met het beoogde doel (bestrijden dan wel het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik), moest worden gewaarborgd. Hierbij speelden tevens mee de werklast voor de Belastingdienst, het financiële belang en de vraag of het andere bestuursorgaan de eigen controlemogelijkheden wel in voldoende mate hadden benut.6 Het IIV 1983 kwam met de inwerkingtreding op 1 januari 1993 van het VIV 1993 te vervallen. In het rapport Intensivering bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik, maatregelen op fiscaal terrein (1992) werd het VIV 1993 al aangekondigd als concrete maatregel voor het meer en beter uitwisselen van gegevens tussen verschillende bestuursorganen.7 In het VIV 1993 werd bepaald dat – voorafgaand aan het verstrekken van informatie – door de Belastingdienst een belangenafweging diende te worden gemaakt waarbij het belang van een effectieve fraudebestrijding door het ontvangende bestuursorgaan één van de criteria was.8 Ook ingeval er een wettelijke verplichting tot informatieverstrekking bestond diende – voor zover daar ruimte voor was – een belangenafweging te worden gemaakt.