Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.3.2:13.3.3.2 Aannemelijk maken is voor het bewijs van alle centrale stellingen onvoldoende
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.3.2
13.3.3.2 Aannemelijk maken is voor het bewijs van alle centrale stellingen onvoldoende
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940624:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2.
HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.8.2.
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2. Herhaald in HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.5.2.
HR 3 februari 2023, V-N 2023/8.13, BNB 2023/48, r.o. 4.3.2. Eerder had Hof Amsterdam dat ook al gedaan, zie Hof Amsterdam 27 oktober 2022, V-N 2023/11.22, r.o. 5.7-5.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Hofoordeel dat de Hoge Raad in het arrest van 8 april 2022 ambtshalve casseerde, had betrekking op de schuldgradatie. Het Hof had geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de boeteling met voorwaardelijk opzet had gehandeld. De Hoge Raad overwoog dat dit Hofoordeel onjuist was, omdat ‘de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan’.1 De Hoge Raad heeft begin 2023 expliciet aangegeven dat zulks in ieder geval ook geldt voor de schuldgradatie grove schuld.2
Naar mijn mening volgt uit deze overweging uit het arrest van 8 april 2022 dat de zware gradatie van ‘buiten redelijke twijfel’ evenzeer voor de andere centrale stellingen geldt. De Hoge Raad spreekt immers in algemene termen van een bestanddeel van een beboetbaar feit: alle bestanddelen van het beboetbare feit, ook het kale beboetbare feit en (in voorkomende gevallen) de kwaliteit van de boeteling, moeten dus buiten redelijke twijfel worden bewezen. Bij de juridische onderbouwing van dit oordeel gebruikte de Hoge Raad eveneens deze algemene termen: ‘Bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM.3 Ook deze overweging laat er in mijn optiek geen twijfel over bestaan dat de gradatie ‘buiten redelijke twijfel’ voor alle centrale stellingen geldt.
In 2023 heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk bevestigd dat (ook) het kale beboetbare feit buiten redelijke twijfel moet worden bewezen.4