Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/5.5.2
5.5.2 De maatschappelijke positie van partijen na X/Gemeente Amsterdam
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583468:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, r.o. 2 (Haviltex).
Zie o.a. Alt 2017, p. 84.
Hoewel dat uitgangspunt ook na X/Gemeente Amsterdam overeind blijft, moet wel worden opgemerkt dat dit niet geldt voor zover in de literatuur het verband werd gelegd met de partijbedoeling gericht op de kwalificatie van de overeenkomst. Zie in de pre-X/Gemeente Amsterdam literatuur onder meer: Trap, ArbeidsRecht 2007/24, p. 6.; Boot 2004, p. 66. Zie over het standpunt van Boot kritisch: Loonstra, SR 2005/17.
Boot, USZ 2020/300.
De Laat, Prg. 2020/314. Overigens stelt De Laat dat partijen ook ‘in het arbeidsrecht’ tegen elkaar opgewassen kunnen zijn, zodat de overeenkomst (niettemin) als overeenkomst van opdracht zou kunnen worden gekwalificeerd. Die stelling lijkt – vanwege de combinatie ‘arbeidsrecht’ en ‘overeenkomst van opdracht’ – innerlijk tegenstrijdig, zodat wordt verondersteld dat De Laat hier heeft bedoeld te stellen dat partijen ook in werkgerelateerde context tegen elkaar opgewassen kunnen zijn.
De onduidelijkheid over de vraag of de maatschappelijke positie van partijen een rol speelt in het kader van de 610-toets is na X/Gemeente Amsterdam verdwenen. Hoewel het arrest geen uitdrukkelijke verwijzing naar de maatschappelijke positie van partijen bevat, volgt uit dit arrest wel dat bij de beantwoording van de uitlegvraag de Haviltex-maatstaf leidend is. Die maatstaf dicteert zoals gezegd dat het bij de beantwoording van de uitlegvraag niet alleen aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de overeenkomst, maar dat het daarbij ook aankomt op ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.’ Bij de toepassing van deze maatstaf kan mede van belang zijn ‘tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht’.1 Daarmee staat vast dat de maatschappelijke positie van partijen bij de beantwoording van de uitlegvraag steeds een rol speelt – uiteraard indien en voor zover daaraan in de voorliggende casus relevante informatie valt te ontlenen.
Het Haviltex-arrest vermeldt dat het meewegen van de maatschappelijke positie van partijen van betekenis kan zijn met het oog op de rechtskennis die van dergelijke partijen verwacht mag worden. Dit duidt erop dat bij de toepassing van de Haviltex-maatstaf moet worden onderzocht in hoeverre partijen de (rechts)gevolgen van de door hen gemaakte afspraken hebben kunnen overzien. Des te sterker de maatschappelijke positie (en daarbij passende rechtskennis), des te eerder mag van partijen worden verwacht dat zij hebben begrepen waartoe zij zich hebben verbonden.2 Dit sluit aan bij de literatuur verschenen vóór X/Gemeente Amsterdam, waarin de maatschappelijke positie van partijen met name in verband werd gebracht met de waardering van de partijbedoeling.3
In de na X/Gemeente Amsterdam verschenen literatuur is inmiddels meermaals gewezen op de voormelde ‘corrigerende’ werking van de maatschappelijke positie van partijen. Zo onderstreept Boot dat voor de uitleg van de overeengekomen rechten en verplichtingen onder meer van belang zal zijn of partijen over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, of dat juist sprake was van een adhesiecontract waarmee de werkende diende in te stemmen.4 Dat de uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken mede afhankelijk is van de maatschappelijke positie van partijen, wordt ook door De Laat onderschreven. Hoewel in het arbeidsrecht tot uitgangspunt wordt genomen dat er geen sprake is van gelijke contractspartijen, stelt De Laat voorop dat ook partijen in werkrelaties ‘tegen elkaar opgewassen’ kunnen zijn, en prima in staat kunnen zijn een ‘schriftelijk goed uitgewerkte’ opdrachtovereenkomst te sluiten die niet als arbeidsovereenkomst kwalificeert.5
Duidelijk is dus dat de rechten en verplichtingen waartoe partijen zich hebben verbonden in de uitlegfase mede worden gekleurd door de maatschappelijke positie die zij innemen. Een belangrijke (vervolg)vraag blijft echter ook na X/Gemeente Amsterdam onbeantwoord: op welke wijze moet de maatschappelijke positie worden geduid? In de hiervoor aangehaalde literatuur – zowel van voor als na X/Gemeente Amsterdam – is in dit verband gewezen op kennis, economische (on)afhankelijkheid, de vraag of partijen over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, en de vraag of zij ‘tegen elkaar opgewassen’ zijn. Deze verkenning maakt zichtbaar dat in de literatuur geen eenduidigheid bestaat over de wijze waarop de maatschappelijke positie van partijen moet worden gewaardeerd.