Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.3.2:7.3.2 HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/7.3.2
7.3.2 HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416901:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anders dan in het hiervóór besproken arrest HR 23 februari 1955, BNB 1955/158, was voor doorbreking van de balanscontinuïteit geen aanleiding in HR 24 oktober 1956, BNB 1956/335. Dit arrest, waarin het ging om een door een rechtspersoon (naamloze vennootschap) toegepast waarderingsstelsel, geeft niet alleen een algemene regel voor de gevolgen van het wijzigen van een (onjuist) waarderingsstelsel, doch verduidelijkt tevens de omstandigheden die in BNB 1955/158 aanleiding gaven tot doorbreking van de balanscontinuïteit.
Uit BNB 1956/335 volgt de hoofdregel dat, indien bij de wijziging van een waarderingsstelsel – onverschillig of sprake is van een facultatieve dan wel een imperatieve stelselwijziging – winst of verlies tot uitdrukking komt, het beginsel der balanscontinuïteit meebrengt, dat die winst of dat verlies bij de winstberekening over het desbetreffende jaar in aanmerking wordt genomen. De in de verhouding tussen de belastingadministratie en de belastingplichtige in acht te nemen redelijkheid kan echter gebieden, dat op deze regel een uitzondering wordt gemaakt. Dit zal, aldus de Hoge Raad, met name het geval zal zijn, indien de belastingplichtige door de belastingadministratie wordt gedwongen tot het verlaten van een stelsel, dat niet in overeenstemming was met goed koopmansgebruik, doch tevoren met goedkeuring van de belastingadministratie door hem was aangehouden, en als gevolg daarvan de belastingplichtige bij toepassing van de hiervóór genoemde regel een aanmerkelijk nadeel zou ondervinden, doordat in het desbetreffende jaar een abnormaal grote winst tot uitdrukking komt, welke door een scherp progressief belastingtarief wordt getroffen.
In deze zaak deed zodanig geval zich echter niet voor. Al zou belanghebbende geen verwijt kunnen worden gemaakt voor het voeren van het stelsel, de belastingadministratie heeft met dit stelsel nimmer uitdrukkelijk ingestemd, terwijl de door de stelselwijziging tot uitdrukking gekomen winst, welke aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, ook niet zoals bij de inkomstenbelasting veelal het geval is, door een scherp progressief tarief wordt getroffen. Voorts merkt de Hoge Raad nog op dat, indien het belanghebbende zou worden toegestaan de winst over het onderhavige jaar te berekenen, alsof het gewijzigde stelsel van waardering van het onderhanden werk ook reeds op 1 januari van dat jaar was toegepast, een stuk winst waarschijnlijk definitief en zonder grond aan de belasting zou worden onttrokken, daar bij een naamloze vennootschap de toepassing van artikel 7, tweede lid, Besluit IB, waardoor bij natuurlijke personen een dergelijk stuk winst in het laatste jaar van de bedrijfsuitoefening kan worden belast, praktisch nauwelijks zal voorkomen.