Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.3.3.4
7.3.3.4 Van ranguitspraken naar rangorde
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186856:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.3.3.2 en 7.3.3.3.
Zie par. 5.2.3.6.
Art. 3:288 sub a BW.
Art. 21 Invorderingswet jo. art. 3:288 sub a BW, vgl. SDU Commentaar Insolventierecht 2017-2018, commentaar bij art. 180 Fw, Insolad Rapport Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 109 en Groene Serie Faillissementswet, bijlage 2. De wettekst van art. 21 Invorderingswet laat overigens ruimte voor de conclusie dat deze twee verhaalsrechten gelijk in rang zijn.
445. Om uiteindelijk de executie-opbrengst te kunnen verdelen moet de rangorde van de verhaalsrechten worden bepaald. Voor verhaalsrechten waarvan de rang door een eigenlijke achterstelling is verlaagd moet die rang bij de erkenning van de vordering worden vastgesteld.1 Daarom komen hier de uitgangspunten van het bepalen van de rangorde aan bod. Daarbij wordt voorgebouwd op paragraaf 5.2.3, waarin de aard van de rang tussen verhaalsrechten uiteen werd gezet.
De rangorde van de verschillende verhaalsrechten moet worden afgeleid uit hun onderlinge verhouding. Naar Nederlands recht neemt een verhaalsrecht immers steeds rang ten opzichte van een ander verhaalsrecht. Uitspraken over rang zijn steeds uitspraken over de onderlinge verhouding van twee verhaalsrechten.2 Dat geldt zowel voor wettelijke bepalingen over de rangorde als voor uitspraken over de rang die uit een achterstellingsovereenkomst volgen.
Beschouw een geval met drie verhaalsrechten: een verhaalsrecht van de fiscus, een verhaalsrecht vanwege een verstrekte geldlening zonder zekerheden of achterstelling en een verhaalsrecht tot vergoeding van
de kosten van de faillissementsaanvraag. Over de rang van deze verhaalsrechten kunnen de volgende uitspraken worden gedaan:
het verhaalsrecht tot vergoeding van de kosten van de faillissementsaanvraag heeft een hogere rang dan het verhaalsrecht vanwege de verstrekte geldlening;3
het verhaalsrecht tot vergoeding van de kosten van de faillissementsaanvraag heeft een hogere rang dan het verhaalsrecht van de fiscus;4 en
het verhaalsrecht van de fiscus heeft een hogere rang dan het verhaalsrecht uit hoofde van de geldlening.5
Die drie uitspraken vormen samen de rangorde.
De rangorde kan in dit voorbeeld worden samengevat in de vorm van een ranglijst. Uit uitspraken i) en ii) volgt dat het verhaalsrecht voor de kosten van de faillissementsaanvraag bovenaan staat, omdat dat boven alle andere verhaalsrechten gaat. Uit uitspraken ii) en iii) volgt dat daarna de fiscus komt en ten slotte het verhaalsrecht uit hoofde van de geldlening. Er bestaan dus drie niveaus, met op elk niveau een eigen verhaalsrecht. De rangorde ziet er als volgt uit.
In andere gevallen dan dit voorbeeld moet op dezelfde manier de rangorde worden afgeleid uit de losse uitspraken over de onderlinge verhoudingen. Die rangorde bepaalt uiteindelijk de verdeling van de executie-opbrengst.
In sommige gevallen is het opstellen van de rangorde eenvoudig. De relatieve aard van de rang van verhaalsrechten kan echter ook aanleiding geven tot meer problemen bij het opstellen van de rangorde en later ook bij de verdeling van de executie-opbrengst.